Foto hierboven: Kviteseidvatnet.
’s Nachts moet ik er twee keer uit. Ik mag echt nooit meer koffie drinken voordat ik naar bed ga. Niet omdat ik er slechter van slaap, ik lag ook gisteren niet langer wakker dan de tijd die m’n hoofd nodig had om het kussen te raken, maar omdat cafeïne je nieren stimuleert, waardoor vocht je lichaam sneller verlaat. Dat is vannacht ruimschoots gelukt. Terwijl ik in de Noorse nacht over het bevroren gras loop schieten de eenden, slapend op de oever, verschrikt het water in. Geen reeën en geen elanden.
Wereldplek
De wekker staat om zes uur, ik zet ‘m uit en blijf nog even, zoals m’n moeder zou zeggen, doezelen totdat ik het tijd vind. Om half zeven sta ik naast de tent. Op het doek ligt een laagje ijs, op het gras ligt een witte waas van rijp, boven het fjord komt de zon op. Daar sta ik dan, met m’n fiets en tent, wat een wereldplek. Terwijl ik me verder aankleed merk ik dat m’n broek een stuk ruimer begint te zitten. Ik val af.
Ik ontbijt aan de picknickbank en merk dat ik de onbezorgdheid niet helemaal vind. Op de achtergond zijn er zorgen, over het vinden van slaapplekken in de sneeuw en over m’n fietsplek in de Duitse treinen. Er is ook een ander gevoel, het gevoel van ‘dat is dan maar zo, ik laat ze m’n stemming niet langer bepalen’. Die zorgen moeten slijten, totdat ze volledig oplossen in de beleving van het hier en nu.
Net zo groot
Ondanks dat ik later ben opgestaan vertrek ik iets na acht uur. Best tevreden over. Wat zal de weg doen? Op de laatste kilometers van gisteren werd ik langzaamaan helemaal kriegel van alle auto’s en van de herrie van de spijkerbanden. Vlakbij de camperplaats sla ik weliswaar rechtsaf een andere weg in (fylkesvei 356), maar die ziet er op de kaart net zo groot en doorgaand uit als de 353 van gisteren. Daar is waarschijnlijk net zoveel verkeer.
Het valt mee, misschien omdat het nog vroeg is. Ik begin op een vrijliggend fietspad, maar dat houdt na honderd meter op, samen met de huizen van Voll. Regelmatig passeert me een grote vrachtwagen, de weg stijgt geleidelijk naar zo’n negentig meter. Ernaast loopt de kleine, en ongetwijfeld ijskoude, Bolvikelva. Bomen links en rechts, rotsen tot aan de weg, een weiland, een rood houten huis. Overal restjes sneeuw. Rechts valt het uitzicht open, het Kilevann ligt nog zo goed als helemaal dicht, al verraadt de kleur van het ijs dat het inmiddels papperig en dun is. Voor de bewoners van de huizen op de kleine eilandjes is het gemak van de winter voorbij, de sneeuwscooter waarmee ze in no-time op het eiland zijn moet weer de schuur in, ’s zomers gaat het met een bootje. Zo ken ik Midden- en Noord-Zweden ook: ’s winters zijn bepaalde routes van dorp naar dorp een stuk korter, wanneer je met de sneeuwscooter moerassen en meren kunt oversteken die in de rest van het jaar onbegaanbaar zijn.
Van m’n leven
Na vijf kilometer ga ik rechts, met sykkelrute 2 de Høydalsvegen in. De weg wordt een hard aangereden zand-gravelweg, het verkeer dunt uit tot een enkele auto van een aanwonende. Overal bomen, overal sneeuw. Het wordt stil, de aangename zon geeft de natuur kleur en een glinstering aan de smeltende sneeuw. Ik fiets de kilometers van m’n leven. Na twee dagen waarop verkeer nooit ver weg was en het fietsgeluk wisselend, is dit een feest.
De stilte blijft
Dat feest gaat door. De weg wordt slechter, het hard aangereden zand ruller, met plassen en ribbels. Maar de stilte blijft, net als de natuur en de zon die m’n lijf en hoofd verwarmt. Er is niemand. De weg golft als in Toscana, met hellingen die de tien, een enkele keer twaalf, procent halen. Kleine meren zijn bedekt met ijs, de grotere hebben open stukken. In de berm schieten herten overeind die liggen te herkauwen of te dagdromen (wat doen herten als ze niet herten?) en rennen het bos in.
De weg kwijt
Elke bocht in de weg brengt een nieuw uitzicht, een nieuw meer en nieuwe groene hellingen. Volgens Garmin liggen er vandaag dertien klimmen op de route, maar als hij ook de kleintjes meetelt zijn het er 328. Zoiets. Soms is m’n Garmin de weg kwijt, dan denken hij en ik dat we aan klim nr. 5 begonnen zijn, maar dan is het toch nummer 4. Dat komt omdat de daadwerkelijke hoogte van de weg soms afwijkt van de hoogte die in de track verwerkt is. Zie hier meer uitleg over tracks en hoogtemeters.
Mooier dan gehoopt
M’n voortgang is traag, de kilometers vergen tijd. Het geeft niet, toen ik het idee kreeg voor de tocht zat dit in m’n hoofd. Het fietsen langs ijs en sneeuwresten had ik al in Zweden verwacht, ik krijg het hier, mooier dan gehoopt en met veel beter weer. Ik fiets in m’n dunne ondershirt, verder niets (ook met broek en sokken – dat u geen vreemde dingen denkt).
Na dertig kilometer houd ik halt bij een afslag naar rechts, ongeveer halverwege het Langen. Als ik rechtdoor ga ben ik over precies tien kilometer in Lunde. Ga ik rechtsaf dan doe ik daar 24 kilometer over en fiets ik via Ulefoss. Sykkelrute 2 doet dat ook, op de langere weg is meer te zien. Dat is wat ik wil, dit is het fietsen waarop ik hoopte. Ik ben niet van de shortcuts, het is bovendien niet nodig. In de komende vier – laatste – dagen rijd ik etappes van gemiddeld 75 kilometer. Dat geeft meer dan genoeg speling om, als ik de beoogde overnachtingsplek een keer niet haal omdat de wegen slecht zijn, die kilometers de dagen erna in te halen. Ik ga rechtsaf.
Riskant
De afslag is waarschijnlijk een minder vaak gebruikte weg, het gravel is grof en los, ik klim de laagte uit waarin het meer ligt. Op steile stukken moet ik eraf, m’n banden glijden weg in de stenen, de helling is too much. Op afdalingen kan ik niet laten gaan, die gaan zo steil naar beneden als de klimmen naar boven, m’n fiets is niet te houden. Het losse gravel en het mulle zand zijn te riskant om snelheid te maken, net als de langsribbels waar m’n banden naartoe willen en de kuilen die ik door schaduwen niet altijd zie. Remmen, remmen en remmen. Op plekken waar de sneeuw net gesmolten is heeft het water zich met zand vermengd en fiets ik door vastzuig-modder waarin ik niet vooruit kom. Ondertussen blijft het golven, en golven, en golven. Ik voel me een beetje Iohan, ik ben nog steeds op de plek waar ik wil zijn. Het is, door het blakende weer en de stille natuur, heel leuk fietsen.
Indruk
Na zeven kilometer passeer ik de eerste huizen van Ulefoss. Het bos wijkt, de weg wordt vlakker, ik fiets de laatste drie kilometer tot het centrum aan het Telemarkkanaal. Vanaf de brug zie ik een van de sluizen van het kanaal, met daarnaast de rivier met de in betonbanen geleide waterval. Het geweld van het razende water, het sluizencomplex waaraan is af te zien hoe lastig de bouw ervan moet zijn geweest, de bossen overal om me heen, het maakt veel indruk.

De sluis (links op de foto) bij Ulefoss, bestaande uit drie kamers. In het midden de Eidselva, de rivier die afwatert op het Norsjø, met de ‘foss’ (waterval) waarnaar Ulefoss is vernoemd.
Telemarkskanalen
Het Telemarkkanaal (Telemarkskanalen), genoemd naar de fylke waarin het ligt, is geen kanaal zoals het Albertkanaal of het Amsterdam-Rijnkanaal. Het bestaat feitelijk uit een reeks van sluizen die het mogelijk maken om van Dalen naar Skien te varen, een afstand van 105 kilometer. De waterverbinding tussen die plaatsen bestond al, via een reeks langwerpige meren die met rivieren op elkaar afwateren, als kralen en een snoer die samen een ketting vormen. Door watervallen en stroomversnellingen was die route nauwelijks als waterweg te gebruiken, vooral het transport van boomstammen – voor Telemark een belangrijke bron van inkomsten – was een enorm gedoe. De aanleg, in twee fasen, van in totaal 18 sluizen bracht daar verandering in, voortaan kon je met een boot helemaal van Dalen naar Skien (en van daar naar het Skagerrak) varen. Dat gaf de regio destijds een belangrijke economische impuls.
Het Telemarkkanaal bestaat uit twee delen: het oostelijk deel is het Norsjø–Skienkanal, tussen – inderdaad – het Norsjø en Skien, dat in de periode 1854-1861 werd aangelegd. Het westelijk deel heet Bandak–Norsjøkanalen, werd in 1892 geopend, stond destijds te boek als het achtste wereldwonder en verbindt het Bandak met het Norsjø. De sluizen in de twee delen overbruggen samen een verval van 72 meter. Het westelijk deel is sinds 2017 nationaal cultureel erfgoed, de sluizen ervan zijn gerestaureerd en worden nog steeds met de hand bediend. Anno nu wordt het Telemarkkanaal alleen voor pleziervaart en toerisme gebruikt.
Kanalruta
Aan de overkant voeg ik in op de hoofdvariant van nasjonal sykkelrute 2, de Kanalruta, die in Skien begint. Die had ik kunnen volgen door van Porsgrunn rechtstreeks naar Skien te fietsen, maar de langere variant van vanmorgen gaat door meer natuur en minder bebouwing. Geen spijt van.
Via een smalle gravelweg gaat het zestig meter steil omhoog met, zie ik op m’n Garmin, stukken van dertien procent. Best stevig en – constateer ik – de maximale gradiënt die ik m’n lijf met de verzetten op deze fiets aan wil doen. Dat gaat niet over spieren, die verzuren en herstellen weer, maar over m’n knieën. Als ik die naar een blessure fiets duurt het herstel veel langer dan bij spierpijn. Dat is niet nuttig, niet op een tocht en niet op de lange duur, met de knieën die ik bij de geboorte heb gekregen moet ik m’n hele leven doen. M’n knieschijven blijven op hun plaats, bij iets dat op een kerk lijkt (een gebouw van de Ulefos Hovedgaard) vlakt de weg uit en besluit ik een eetpauze te nemen. Daar is het in de fiets-euforie van vanmorgen nog niet van gekomen.
Doelgroep
De gravelweg gaat golvend door het bos verder en maakt een 180-gradenbocht om daarna over een grashelling zo steil af te dalen dat ik dat zelfs te voet alleen met stokken zou doen. Ik stap af en loop, met ingeknepen remmen, voetje voor voetje naar beneden. Daar wacht me bij de Eidselva een volgende bijzondere verrichting, in de vorm van een kleine sluis. Fietsroute 2 en mijn route gaan via een looppad bovenop twee antieke sluisdeuren naar de overkant. Meer dan vijftig centimeter breed is het looppad niet. Dat ik moet afladen is meteen duidelijk, maar ook met alleen een fiets moet ik erachter lopen en af en toe het stuur een zetje geven om niet in een reling verstrikt te raken, terwijl het links van me diep naar beneden gaat tot het waterniveau. Het is bijzonder en behalve tijdrovend eigenlijk erg leuk, maar ik vraag me zoetjesaan af wat de doelgroep van deze route is. Op een promotievideo zag ik blije gezinnen met kinderen de Kanalruta fietsen, maar kijkend naar de 13-procentklim, de gras-afdaling en deze oversteek weet ik niet of een gezin met jong spul dit zonder helikopterredding fietst. De sluisdeuren zijn de enige manier om aan de overkant te komen.
Ergens komen
De route gaat hobbel-de-hobbel over een smalle voetgangersbrug, langs erven en over bospaden. Op de kaart zie ik dat het daarna nog kilometers zo door gaat, de sykkelrute verdwijnt regelmatig het bos in. Geen idee wat hij daar gaat doen, maar gelet op het stuk van Ulefoss tot hier heb ik er geen vertrouwen in. Wel als een allemachtig gave veldrij-training op de zaterdagmorgen maar niet als ik, met alle zooi achterop, vandaag nog ergens wil komen. Ik verlaat het pad, ga de verharde weg op en ben na acht prachtige kilometers langs het Nomevatn in Lunde.
Best oké
Daar vind ik een kleine KIWI supermarkt die me erg meevalt, met een beetje zoeken zijn de prijzen best oké, al moet ik van fruit en groente afblijven. In die verleiding kom ik niet, m’n tassen zitten vol genoeg, ik ben alleen op zoek naar iets voor een late lunch-stop. Die houd ik op een trap, terwijl ik de zon op m’n huid voel. Dorpsbewoners komen elkaar tegen, ik probeer iets van hun gesprekken te volgen.
Onafwendbaar
Na vijf kilometer verlaat ik de doorgaande weg en gaat het grotendeels onverhard verder langs de Straumen, de verbindingsrivier tussen het Nomevatn en het Flåvatn. Delen van de weg, in de schaduw van de noordkant van een bos, zijn bedekt met verijsde sneeuw. Ik kan teruggaan naar het asfalt, maar de weg langs de rivier is te mooi, ik waag een poging. Het eerste stuk is fietsbaar, maar de zandweg is door de smeltende sneeuw zo van water verzadigd dat het twee keer zoveel kracht kost. Ik stap af en glibber met de fiets aan de hand over de glazig witte weg, zoekend naar ruwere stukken.
Als het koud genoeg is kun je op sneeuw goed lopen en fietsen, zelfs wanneer die verijsd is. Het gaat pas mis als het niet koud is en het toplaagje smelt, bijvoorbeeld door de druk van autobanden. Of door het voorjaar, zoals nu. Met een zwiep gaat de fiets onderuit, zelf kan ik maar net blijven staan. Ik moet lachen, het was onafwendbaar. Maar dan, hoe zet ik op deze glijbaan m’n fiets overeind? Het lukt me om de fiets naar een stukje gras te trekken, mezelf te verankeren en de fiets op z’n wielen te zetten. Een snelle check: niets gebeurd. Nóg voorzichtiger vervolg ik m’n weg via de strookjes met weinig of geen ijs en kom na een flink stuk lopen de doorgaande weg weer tegen.
In werkelijkheid
Voor de 45 kilometer van hier tot aan de plek waar ik wil overnachten volg ik, met de Kanalruta, een kleinere asfaltweg langs de Straumen, het Flåvatn en het Kviteseidvatnet. Het zien van deze video (met op tijdstip 0:18 de glibberweg in zomerse tijden) van de Kanalruta was genoeg om te beslissen daar m’n route langs te laten lopen. Met één, door ervaringen op andere routes geleerd, ding in m’n achterhoofd: in werkelijkheid zou het nooit zo’n mooi weer zijn als in de video. Of zo rustig op de weg.
Die werkelijkheid, van 20 april 2023, is – onwaarschijnlijk, maar waar – wel zo mooi als in de video. Onderweg heb ik geweldige uitzichten over de rimpelloze meren, met heuvels en bergen met bossen en restjes sneeuw. Het gaat ook net zo op-en-neer. Klimmen en dalen, het houdt niet op. De beloften van de video worden ingelost, meer nog dan waar ik op gerekend had. De zon schijnt, er is weinig verkeer, dit zijn de mooiste kilometers sinds m’n vertrek uit Amersfoort.
Niet het beste moment
Bij een beekje dat de helling af stroomt en als kleine waterval in de berm klatert was ik een fietsonderbroek en een paar sokken uit. Daar was het vanmorgen, aan het bevroren fjord, niet het beste moment voor. IJs en zeewater. Broek en sokken gaan op de achterdrager, met deze zon en de droge lucht zie ik ze drogen. Ik doe m’n licht aan en rijd een tunnel in.
Laatste
Bij Fjågesund wissel ik met een brug over de Straumen van oever en fiets via de zuidkant van het Kviteseidvatnet de laatste dertien kilometer van vandaag.
Bedacht
Om kwart voor acht fiets ik langs het lage houten hek rond de Kviteseid bygdetun (letterlijk: gebouwentuin, in Zweden heet zoiets hembygdsgård), een klein openluchtmuseum uit 1907 dat met twaalf hierheen verplaatste gebouwen laat zien hoe een welvarende boerderij er hier tweehonderd jaar geleden uitzag (het oudste gebouw dateert van het begin van de veertiende eeuw). Dit is wat ik als slaapplek bedacht heb, maar zo te zien is het gras tussen de gebouwen bedekt met een dikke laag sneeuw, de bovenkant van de houten picknickbanken is nog net zichtbaar.
Als ik beter kijk zie ik dat naast de houten gebouwen een strook gras vrij van sneeuw is. Zou het legaal zijn om daar te kamperen? Waarschijnlijk niet. Ben ik iemand tot last, gebruik ik iets (water, verwarming) waar ik eigenlijk voor zou moeten betalen? Beslist niet. Ik denk zelfs dat er geen haan naar kraait, hier komen voorlopig nog geen bezoekers. Ik maak de ketting los die over de korte toegangsweg hangt, rijd m’n fiets het terrein op en hang de ketting weer terug. Speurend naar een plek waar het droog is en ik niet vol in het zicht sta zie ik een stuk bleek gras tussen twee gebouwen.
Voorrecht
Prinsen genieten het voorrecht van het slapen op prinselijke plekken. Ik richt m’n tent in en gebruik een stenen trap, waar geen smeltwater in m’n nek druppelt, als kookplek. Op het menu staan noedels met – zet u schrap – een soort bacon-en-kaas-bockwurst. Een prinsenmaal. Ik bel, aangenaam warm in m’n donsjas, Elsbeth en luister naar de stilte van de schemer. Wat een plek. Alweer.
De lichte spanning die ik bij het ontbijt had, zorgen over wat ik nog moet regelen, is weg. Ik overzie beter wat me nog te wachten staat en heb met mezelf afgesproken dat ik het fietsticket laat rusten tot in Stavanger. Na morgen begint voor Elsbeth en de mannen de meivakantie, dan voel ik me minder bezwaard dat ik er niet ben, vooral in de ochtenden als Elsbeth al weg is en ik voor de mannen zorg als ze naar school gaan.
Het was hard werken vandaag, zowel het gravel-en-zandstuk tot Ulefoss als het golvende stuk langs de meren. Welgeteld 97 kilometers en 1469 hoogtemeters. Maar wat een mooie dag. Morgen begin ik aan de berg-vierdaagse, de laatste dagen tot Stavanger. Kortere dagen, de langste is 81 kilometer, die het klimmen de tijd geven zonder de druk van een lange dagafstand. Morgen slaap ik op 800 meter, daar ligt vast meer sneeuw dan hier.
Ik begin koude oren en voeten te krijgen, het is bijna half tien, deze Stavangerfietser gaat z’n tanden poetsen en slapen. Moe en heel gelukkig.


















