Foto hierboven: tussen Hallbjørnsekken en Kjønnesvikvatn.
Om half zeven maakt de wekker me wakker, na acht en een half uur ononderbroken slaap. Wat een goede nacht. Ik loop over het bleke, bevroren gras en zoek een boom. Boven het Kviteseidvatnet, voorbij de oude gebouwen, vallen de eerste zonnestralen op het glinsterende ijs.
Op de stenen trap doe ik een paar handjes muesli in de pan, water erbij, melkpoeder, vlam eronder, ontbijt. Ik drink voorzichtig van m’n hete koffie en kijk om me heen. Ik hoef hier niet weg, al zou ik me gaan vervelen als ik zou blijven. De bergen en hoge wegen lokken, een deel van de magie van plekken als deze is dat je er maar kort bent, dat je ze aanraakt en weer verder gaat.
Ik trek voor het eerst ondersokken aan. Toen ik gisteravond m’n slaapzak in gleed ontdekte ik dat ik ijskoude voeten had. In m’n halfhoge schoenen is ruimte voor twee paar sokken, de truc om warme voeten te houden is de veters niet te strak aan te trekken.
Goed
Om tien over half negen fiets ik weg bij het kleine openluchtmuseum. Ik vind het zelfs een beetje moeilijk.
Kviteseid ligt aan de voet van een klim die, via riksvei 41, over een rug naar een afdaling het volgende dal in voert. Al na honderd meter mag ik aan het werk en voel meteen hoe goed de nacht en het eten me gedaan hebben, m’n benen zijn sterk. De klim is met 260 meter een opwarmer voor wat me nog te wachten staat, in de bochten van de haarspelden stop ik om uit te kijken over het dal waar ik vannacht geslapen heb.
Ik heb vaak uitgekeken naar deze dagen in Noorwegen, naar de Kanalruta langs de meren, naar de sneeuw waarvan ik hoopte dat die er nog zou liggen en naar de bergen waarvan ik wist dat ik er overheen ging. De werkelijkheid overtreft m’n verwachtingen. M’n spirit klimt met me mee, naar een nieuwe hoogte. Ik doe wat truien uit, fiets in m’n ondershirt en jas verder naar het hoogste punt en daal af naar het Nisser.
Brood met body
Beneden kom ik in Vrådal een kleine Joker tegen. Noorse supermarkten zijn niet die van Denemarken. Ze zijn leuker. Duurder dan in Zweden – hoewel ik direct met mezelf afspreek het daar niet meer over te hebben, dat is nu eenmaal zo, net als op het stuk Zwitserland van de Rome-tocht – en het mag weer leuk zijn. Ze hebben er de juiste dingen voor fietsers, zoals goed brood! Van dat ’s morgens gebakken (harde korst, zachte binnenkant) volkorenbrood in papieren zakken.
Dat smaakt erg goed. Zweeds brood – en hier moet ik mijn geliefde afvallen – in buurtsupers is verpakt of lijkt op de witte bolletjes waar ze in Duitsland belegde broodjes mee maken: een harde korst, maar wat van binnen zit druk je samen tot een dobbelsteen. Alleen de grote ICA’s hebben ook volkorenbrood. Het Noorse brood is brood met body, met een echte binnenkant en nog volkoren ook. U merkt wellicht, beste lezer, dat u hier te maken heeft met een echte broodeter.
Ik koop twee volkoren-pittenbroodjes en een literpak sinaasappelsap. En vind de Noorse supermarkten zomaar een beetje leuk. De muesli van vanmorgen is al lang tot stof wedergekeerd, aan een houten bank houd ik een second breakfast en klok een deel van de sinaasappelsap naar binnen. Wat over is gaat in een bidon.
Voorjaar
De omgeving blijft onverwacht mooi. Over een rustige asfaltweg fiets ik kilometers langs het Vråvatn, waar het voorjaar de winter verdringt. Sneeuw heeft zich teruggetrokken tot voorbij de berm, alleen in beschutte baaien ligt nog ijs. Houten huizen waarin niemand lijkt te wonen, gras dat herstelt nu het de zon weer ziet en overal kwikstaartjes. Ik krijg het berggevoel. De weides, het boerenland met rode schuren, overal het druppelen van smeltwater en het ruisen van stroompjes en mini-watervallen, de bergen met witte randen op de achtergrond. Ik geniet van het moment, de grijze zorgenwolken zijn opgelost.
In een kwartier tijd passeren me drie Nederlandse auto’s, terwijl ik er tussen hier en de Nederlands-Duitse grens misschien vijf heb gezien. Elke passerende auto werpt stof op, niet alleen van strooizand, maar (bij de Noorse auto’s) ook van de spijkerbanden die het asfalt kapot rijden.
Doodeng
In Kråkedalen hoop ik op een plek waar ik kan zitten om wat te eten, maar moet genoegen nemen met een stapel boomstammen. Het is slim hier rust te houden, verderop begint de volgende klim.
Die stelt weinig voor, maar de afdaling naar het Bandak – dat klinkt als een dorp op Sumatra – is een ander verhaal. Suizend verlies ik 200 hoogtemeters, over een steile weg met haarspelden die vol ligt met gravel en gruis: overblijfselen van de winter, toen het gravel nodig was om het wegdek stroef te maken.
Ik ben niet snel bang op de fiets, maar het is doodeng. Wanneer m’n voorwiel ook maar even niet helemaal rechtdoor gaat dreigt het te gaan schuiven in het losse gruis. Dan ben ik de controle kwijt, de energie van een beladen fiets in een afdaling is enorm, bij hard remmen blijft je fietst schuiven omdat er geen grip is. Zo ver laat ik het niet komen, ik tem m’n fiets al op de eerste meters en rem me een ongeluk. Ik blijf overeind, maar veel scheelde het soms niet.
Blijven uitkijken
Vlak vóór het Bandak verlaten sykkelrute 2 (die mijn route nog steeds volgt) en ik de verharde weg en gaan verder over een gravelweg door het bos en langs het water. Waar veel sneeuw is gesmolten is de weg veranderd in zuigzand, verder heeft de weg de gebruikelijke kuilen en gaten die ik niet mag missen. Af en toe een ribbel die over de breedte van de weg loopt, pas op het laatst zichtbaar wordt en waar ik doorheen dender. Of korte tunnels die zo donker zijn dat ik ook met m’n licht aan niets zie. Blijven uitkijken dus, het is verder prima fietsen.
All in the game
Het gehobbel, het losse gravel en het zuigzand vergen veel energie. Als ik Dalen bereik en het asfalt op fiets kijk ik achterom en zwaai: “dag weg, tot nooit!” Maar it’s all in the game bij het fietsen hier, het geeft niet, de beloning is er naar. Dalen is het westelijke uiteinde van Telemarkkanaal en Kanalruta, en het laatste dorp dat ik vandaag tegenkom. Wat ik nog nodig heb moet ik hier halen. Hier, aan de westkant van het dorp, zit niets. De supermarkten zitten een paar kilometer de andere kant op. Ik had gehoopt op een supermarkt met picknickbank zonder om te hoeven rijden, maar dat zit er niet in. K… Er is wel een tankstation, waar ze pommes bakken en allerlei broodjes worst en dehemelweetwat verkopen. Ik eet een bak frieten, drink een halve liter cola en het leed is geleden. Bij nader inzien heb ik eten genoeg, het ging me om de plek om na alle gravel-gehobbel even te zitten. Dat is gelukt. Ik stap op en begin aan de langste klim van vandaag.
Bruut
In Dalen zit ik op 85 meter, ik moet naar 800. Dan terug naar 700 en weer naar 820. De eerste echte hoogten, wat zal de sneeuw daar doen? Ik verlaat Dalen, sla linksaf fylkesvei (Fv) 450 op en begin. In de berm waarschuwt een bord voor een helling van 12 procent.
Dat blijkt geheel juist, het eerste stuk tot aan de haarspelden is werkelijk bruut, volgens Garmin tik ik af en toe de dertien procent aan, ik denk dat er maar weinig stukken zijn die onder de twaalf procent komen. ‘Als het maar iets steiler wordt moet ik lopen, anders duw ik m’n knieën stuk’ denk ik, ‘dit zijn niet de laatste hoogtemeters, ik ben nog niet in Stavanger’.
Na de haarspelden wordt de weg milder, zo’n negen procent. Een normale klim en veel beter te doen. Na elke honderd hoogtemeters houd ik halt, voor haast is de omgeving te mooi.
Feest
Ik ga op een zachte steen zitten en neem de omgeving in me op. De lucht is nog steeds diepblauw, ik fiets in m’n ondershirt. Ik zweet, maar niet té. De zon is sterk, maar niet té. De weg, bedekt met gruis en zand, is niet druk en sneeuw- en ijsvrij. Overal randen sneeuw en kleine beken die ik hoor kletteren. Wat een feest, wat een ongehoord feest is dit.
Het eerste hoge punt, op 800 meter, is hard werken, geheel volgens verwachting. Ik daal honderd meter af en ga opnieuw omhoog, op 820 meter bereik ik het voorlopig hoogste punt. Ik ben er bijna en het is half zes, geen zorgen over een late aankomst.
Kansloos
Om half zeven kom ik aan op het Hallbjønn Høyfjellsenter, een wintersportcentrum waar ik bedacht heb vannacht te slapen. Op Google street view zag ik een berghut-receptie-met-café langs de weg, met aan de overkant wat loze grasjes waar een tent kan staan. Leuk, bij zo’n bergcentrum is altijd volk. Het plan is opwarmen en bij-mensen in het café, daarna koken en slapen aan de andere kant van de weg. Maar het gebouw is niet alleen hartstikke dicht, het ziet er ook leeg uit. Het seizoen is nog niet begonnen of, kijkend naar de smeltende sneeuw, juist ten einde.
Er loopt een weg het gebied in, met slagboom en kaartlezer. Op de kaart staan overal dotjes, waarschijnlijk huisjes die worden verhuurd. Het lijkt er niet op dat er behalve de receptie nog een ander gebouw is waar ik om een slaapplaats kan vragen. Die slaapplaats is vermoedelijk alleen een compleet huisje. Ga ik niet doen. Aan de andere kant: wat zijn, realistisch gezien, m’n opties? Met de sneeuw die anderhalve meter hoog ligt is een tent opzetten kansloos. In elk geval hier.
Andere stand
In m’n hoofd zet ik een knop in een andere stand, van Romantische verwachtingen naar Probleemoplossen. Ik weet wat ik moet doen om niet te stranden en wat ik moet doen bij invallende kou, bij beide is dat ‘niet stilvallen’. Ik maak een analyse. De avond is begonnen, er zijn geen wolken en ik zit op ruim 800 meter, opgeteld heb ik niet veel tijd meer totdat het serieus gaat afkoelen. Een tent kan hier niet, iets huren lijkt geen optie en ik heb water nodig.
In doorfietsen heb ik niet echt zin, dus wil ik eerst zeker weten dat hier niets is. Er gaat regelmatig een auto de weg-met-slagboom in, misschien weet iemand of (en waar) ik ergens een kamer kan huren. Een beschutte plek is ook goed. Ik stel m’n vraag, onder andere aan de chauffeur van een groot sneeuwschuiver-achtig ding voor skipistes. “Dan moet je daar zijn” wijst hij naar de receptie. “Die is dicht…” “Dan weet ik het ook niet, dat is de enige plek waarvan ik weet dat je er iemand kunt spreken”.
Alert
Helder. Eerst m’n truien aan om niet af te koelen. En iets eten, er moet energie in want ik moet straks alert zijn om de juiste afweging te kunnen maken, met kou valt niet te spotten. Ik neem de beslissing, ik fiets door. De weg blijft vanaf hier zo’n twintig kilometer ongeveer op deze hoogte en daalt daarna af naar het Setesdal. Onderweg kijk ik wat ik tegenkom, als hierboven niets is daal ik af en zoek ik verder in het dal, waar het warmer is en waar dorpen zijn. Geen idee hoe laat het dan inmiddels is.
Ik neem de laatste hap koek, start de track van morgen en fiets verder. ‘Dit gaat geen Bergamo-avond worden’ zeg ik tegen mezelf, ‘ik ga niet stranden’. Die vastberadenheid is genoeg, ik sta aan het roer, het komt hoe dan ook goed. Ik heb nog een beetje water, net genoeg voor een noedelsoepje, ik heb brood en van alles, als ik ergens een plek zie waar m’n tent kan staan, ga ik daar slapen. Het plan was sowieso om hier te kamperen, elke kilometer die ik nu rijd hoef ik – heel simpel – morgen niet te doen. Ik houd de moed erin.
Wat een plek
Dat laatste is niet moeilijk, het is geweldig mooi fietsen in het licht van de lage zon, op een weg waarover geen enkele auto meer rijdt. De sneeuw, de blauwe lucht en de totale stilte, wat een plek.
Rechts van me zie ik, op de veranda van een klein huis, een arm met een sigaret. Ik fiets een stukje verder en de man komt in beeld die aan de arm vastzit. “Do you have some water for me?” roep ik. “Natuurlijk, dan moet je even zo en zo lopen…” wijst hij me de weg. Ik zet m’n fiets neer, loop het pad op en zak meteen tot aan m’n knieën in de sneeuw. Ik heb geen gamaschen aan, dus als ik die sneeuw niet snel uit m’n schoenen haal gaat die smelten en heb ik straks, bij invallende kou, natte voeten. Niet slim, ik stop en schud de sneeuw van m’n onderbenen. “I can’t walk here!” “Wait…”, hij gooit een fles water mijn kant op.
Die komt lang niet ver genoeg en valt in de sneeuw. Hoe ondankbaar ook, ik ga ‘m niet halen. Ik weet niet hoe lang en ver ik nog moet en neem het risico op bevroren sokken niet. “No problem, do you want a beer?” “Ik zoek eigenlijk een plaats waar ik kan slapen en m’n tent kan neerzetten” antwoord ik. “A tent?” Ik heb vermoedelijk iets geks gezegd. “Drie kilometer verderop is een brug met een soort eilandje, daar staan altijd heel veel Duitsers met van die…” “Campers” “Ja, campers”.
Dat is precies de plek die ik bij het maken van de route voor ogen had als alternatief voor het høyfjellsenter. Op Google street view zag ik dat er picknickbanken staan, het senter leek me alleen veel leuker omdat ik daar volk en iets café-achtigs verwachtte. Dat ook de man op de veranda die plek als mogelijkheid noemt geeft me nieuwe moed. “Net daarvóór is een hut met eten en zo, maar die moet je wel betalen”. “Ah, thanks!” “En als het allemaal niet lukt, dan kom je maar terug, dan kun je hier slapen”. “Thank you for your help!” zeg ik en steek een duim omhoog.
Geen optie
Door. Ik passeer de hut, er tegenover staan twee auto’s. Bezet. Op het hellende paadje naar de deur ligt bovendien diepe sneeuw, met m’n fiets kom ik daar nooit boven. In gedachten streep ik de hut door en focus ik me weer op de picknickplaats.
Daar ligt de sneeuw anderhalve meter hoog, alleen het topje van het informatiebord steekt er bovenuit, de picknickbanken onzichtbaar ergens daaronder. Geen optie, ik fiets door. Links komt een open stuk in beeld met wat schuren of opslagplaatsen. Een deel is sneeuwvrij. ‘Nou, Peeters…’ zeg ik tegen mezelf, ‘…dat is een kanshebber. Je hebt het vanavond niet voor het kiezen, gewoon hier kamperen’. Het is tien over acht, dat is laat genoeg, de zon raakt de horizon al bijna.
Ik zet m’n fiets neer en doe een verkenning. Naast de schuren ligt een gravelparkeerplaats met een slagboom, sneeuwvrij. Geen modder, vlak genoeg en groot genoeg. Plek. Ik sla de rit op, 91 kilometer, en laad af. Eerst goed kijken waar ik m’n tent neerzet. De enige auto die er staat, staat met de neus naar me toe, als die gaat rijden en z’n lichten aandoet ziet hij me meteen. De plek die ik kies ligt op twintig meter van de auto, rijdend naar de slagboom komt hij m’n tent niet tegen. Gevaar loert als ik, moe aan het eind van een lange fietsdag, niet de tijd neem om zo’n inschatting te maken. De tent staat zó, ik krijg de haringen redelijk het gravel in. Ik sta hier goed, ik sta hier zelfs prima. Wat een mooie dag was dit, met 1849 hoogtemeters heb ik zelfs m’n record op de dag met de Splügenpas gebroken. Geen idee waar ik nu ben, op de kaart is dit plateau één grote groene vlek met wat meren en geen dorpen. Ik noem het Hatseflatsfjell.
Inkomen
Als alles ingericht is bel ik Elsbeth. De zon is ondergegaan, het is kwart over negen. Ik heb er weer zin in. ‘F… it’ denk ik, ‘ik ga toch nog even koken’. Met die energie komt het inzicht dat ik al veel eerder had kunnen hebben: dat water geen probleem is, dat ligt hier overal anderhalve meter hoog. Ik vul een pan met verijsde sneeuw, zet die op de brander en maak een foto. Ondertussen hoor ik het sissen. Druppels gesmolten ijs die op de hete bodem van de pan vallen. Die bodem heeft in het midden een blauwe vlek gekregen, waar de brander het titanium heeft verhit zonder dat dat in contact was met de sneeuw. Ik word boos op mezelf. Sneeuw smelten heb ik vaak genoeg gedaan om te weten dat wanneer je sneeuw in een hete pan doet, de sneeuw niet meteen smeltend inzakt tot een laag water, zoals een klont boter in een koekenpan. Die sneeuw moet eerst opwarmen van -10 naar nul graden voordat die smelt, dat duurt net zo lang als water opwarmen van nul naar 10 graden. Verijsde sneeuw is als een klomp steen die niet overal de bodem van de pan raakt.
Ik vergeef het mezelf, ik moet er weer inkomen. De blauwe vlek is een blijvende herinnering aan deze avond, met de pan zelf is niets gebeurd. Misschien poets ik de vlek thuis weer weg. Nawoord: klopt.
Goede beslissing
Ik eet opnieuw noedels met anderhalve bockwurst, het deel dat nog over was. God-de-lijk. Een goede beslissing, morgen sta ik op met energie in m’n benen. Ondertussen is het echt koud aan het worden, op de tent ligt een laagje ijs. Vannacht breek ik ongetwijfeld het koude-record van deze tocht. Ik ga straks m’n slaapzak in met lange onderbroek, dik ondershirt, sokken en misschien m’n muts op. Anders komt het niet goed.
Het is bijna tien uur, het is mooi geweest. De etappe van morgen is, omdat ik vanavond al vijftien kilometer van die track gefietst heb, zo’n 65 kilometer. Dat is ‘hi-ha’ en waarschijnlijk de kortste dagafstand-met-bagage in lange tijd. Ik poets m’n tanden en kruip m’n tent en slaapzak in. Hopend op een warme nacht.













