Foto hierboven: Oslofjord tussen Horten en Åsgårdstrand.
Om half zeven word ik wakker, ruim vóór de wekker. De meeuwen zijn al lang op, hun gekrijs is hier altijd.
De lucht is smetteloos blauw, de ochtendzon maakt lange schaduwen. Het weer is zo veelbelovend dat ik het dikkere ondershirt weer verruil voor het dunnere shirt, fietstocht-schoon sinds Strömstad. Ik dacht dat Noorwegen het koudste deel van de route zou zijn, volgens Yr zet het voorjaarsweer door. Onthaast zet ik de spullen op de picknickbank en ontbijt met koffie, muesli en melk-van-melkpoeder.
Achting
Langs de camping rijden fietsers die op weg zijn naar hun werk, bij het inpakken fietsen kinderen voorbij met gekleurde jassen en schooltassen. Ik maak contact met de echte wereld, de wereld buiten mijn cocon van tracks, dagafstanden en fietsroutes. De wereld zoals ik die thuis ken, van kinderen en volwassenen die naar school of werk fietsen, alsof die wereld tot nu toe gescheiden was van wat ik op deze tocht meemaak. In Noorwegen zie ik veel meer woon-werk-schoolfietsers dan in Zweden en ook in Denemarken kwam ik ze tegen. Laat ik zwijgen over Duitsland, buiten de studentensteden laat daar niemand de auto staan. Noorwegen stijgt in mijn achting.
Het is vandaag onze trouwdag, ik stuur Elsbeth een appje en krijg een lief appje terug. Ik feliciteer mezelf met haar. Ze heeft al in de Eem gedobberd, ijskoud, met een groep van de kanoclub die dat elke woensdagmorgen doet. Woensdag is haar vrije dag.
Weg kwijt
Om half negen fiets ik weg van Rørestrand Camping. Mijn track gaat, met sykkelrute 1, door een bos aan het Oslofjord, over een onverwacht klein wandelpad dat nu en dan de weg kwijt is. Bij het maken van de tracks op de OFM-kaart kon ik kennelijk het verschil niet zien tussen een fietspad en een spoor door het bos. Ook de sykkelrute is niet geïnteresseerd in dat verschil. Zoals gisteravond, toen ik vastliep bij een konijnenspoor dat in de struiken verdween. Het pad hobbelt en wortelt, op m’n trouwdag moet ik nog werken ook.
Thuis
Op een open stuk heb ik uitzicht over het fjord, er staat een bank, ik ga zitten en kijk naar het strand waar het eb is. Stenen, slik en zand zijn blootgevallen. Het is mooi hier, fantastisch zelfs. In de rust van de plek spreek ik m’n gedachten in. Die springen naar m’n jeugd, het huis in Uden waar ik ben opgegroeid. Hoe ik als kind uit school kwam en de keuken binnenliep, achterom zoals je doet als je ergens thuis bent. Ik zie de koelkast voor me met de mand van Klaartje. De wasmachine met een dienblad en een theedoek met lichtgroene en oranje figuren. Met m’n billen tegen de verwarming en m’n handen op de radiator vertelde ik m’n moeder hoe het op school was gegaan. Ze zette thee, met een koekje uit een trommel met gekleurde bloemetjes. Voordat ik het weet pleng ik dikke tranen. Groot verdriet, ik snap er niets van, alweer niet.
Inzicht
“Is het gras op?” zegt een stem uit de struiken. Een eland kijkt me onderzoekend aan. Ik schud m’n hoofd, verbaasd, elanden verwachtte ik pas verder landinwaarts. “Ik denk aan toen ik kind was”. “Altijd naast je moeder lopen, alsof dat zo leuk is” zegt het grote bruine dier. “Ja, dat was zo leuk” zeg ik. Stilte. Verbazing. “Dat slijt toch? Mijn kinderen lopen in een ander bos, ik zie ze zelden”. “Mijn moeder leeft al lang niet meer” leg ik uit, “ik mis haar, maar ik mis vooral het thuisgevoel en het bij anderen zijn. Ik weet het niet zo goed”. De eland kijkt naar beneden, naar z’n lange lijf. “Ik ben een ander, helpt dat?” Ik lach en veeg m’n tranen weg. “Het helpt een beetje. Het vertellen ook”. Als elanden trots kunnen kijken zien ze er waarschijnlijk zo uit.
“Heb je dat de hele dag?” “Nee, alleen als ik me alleen voel. Dan bespringt het me soms vanuit een donkere hoek”. “En anders?” “Ben ik een gelukkige fietser”. De eland blijft me aankijken en trekt een wenkbrauw op. Maar het moet er eerst allemaal uit. “Ik denk dat ik niet geschikt meer ben om lang alleen te zijn. Ik ben veranderd”. De eland denkt na en schudt dan z’n grote hoofd, waarop het begin van een nieuw gewei te zien is. “Nee. Een vlinder blijft altijd een rups, maar kan voor het eerst z’n kleuren laten zien. Misschien ken je jezelf beter dan vroeger, zie je nu pas je kleuren”. M’n hoofd weet het antwoord eerder dan m’n mond, ik knik onwillekeurig. “Momenten als deze zijn niet nieuw, maar ik ben niet eerder zo eerlijk tegen mezelf geweest over dat ze er soms zijn. Omdat het voelt als falen. Nu laat ik ze toe, al overvalt de heftigheid me.” Ik kijk op om de eland te bedanken voor z’n inzicht, maar zie hem niet meer. Net was hij er nog. Weet ik bijna zeker.
Beloven
Het heeft me opgelucht, het verdriet dat sluimerde is eruit, ik kan verder. Ik sta mezelf nog één gedachte toe: dat ik moet accepteren dat er op een langere tocht mindere momenten zijn. Dat hoeft niet te betekenen dat die tochten van de baan zijn, al voelt het nu even goed mezelf te beloven dat ik niet meer zo lang wegga. De eland had gelijk. Ik ben wie ik ben, maar wat ik voel heeft meer vrijheid gekregen. Meer kleur. Dat is wat fietsen met me heeft gedaan. Fietsen is wat ik nu ga doen. Vandaag, morgen, deze laatste zes dagen.
Een paar woorden
De kleine wegen zijn doodstil, het voorjaarsweer juicht. Ik fiets door het bos langs het fjord, door Åsgårdstrand met witte houten huizen, langs bleekgroene velden met kale bomen. Met alleen een ondershirt en m’n dunne wollen Muji-truitje, geen jas, geen handschoenen en geen muts. Nu en dan kom ik een fietser tegen die ook fietsroute 1 volgt, het terrein golft licht met hier en daar een steiler stuk. Volgens Garmin wachten me vandaag dertien klimmen. Ik heb het geweldig naar m’n zin.
Voorbij Tønsberg passeer ik een tankstation met ‘Pizza & Grill’ op de ramen. Er moet eten in, koolhydraten, substantieel voer. Geen grill en geen pizza, hopelijk wel frieten. Het afhaalgedeelte van het tankstation heeft de gezelligheid van een Chinese slagerij. Tl-balken, betegelde muren, glimmend roestvast staal. Trays met colaflessen tegen de wand en stapels lege pizzadozen. Maar ze hebben pommes. Al kwam ik ook voor een paar woorden van iemand, voor een tafel met een stoel, een beetje plek, een beetje huis. Daar doen ze hier niet aan. Ik reken honderd kronen af voor een ijsthee en een bakje frieten en eet die buiten op een stoeprand op. Ik mis Zweden.
Walvisvaart
Over niet al te grote en drukke wegen rijd ik verder naar het zuiden. Langs kale bruine akkers waarvan de aarde is ontdooid, maar waarop nog niets groens boven de grond staat.
Sandefjord, aan het Sandefjordfjord (echt), is klein en laaggebouwd. Met een geschiedenis van scheepsbouw en walvisvaart, die eind jaren zestig stopte. Er staat een monument voor de walvisvaarders uit de beginjaren, mannen die met kleine bootjes de enorme waterzoogdieren probeerden te vangen. Niet elke walvisvaarder bleef in leven, de walvis vrijwel nooit.
Ik denk aan de jaren dat ik in de outdoorwereld werkte. Waar ik vreemd werd aangekeken als ik zei dat ik van Zweden hield, dat Noorwegen me fascineerde als levensgroot plaatjesboek vol onwaarschijnlijke landschappen, maar niet de stilte in het landschap had die me in Zweden aantrok. Het geborgene en het lieflijke. Dat zag ik niet goed. Noorwegen was alles, Zweden een suffe boel. Aan dat gedweep kwam abrupt een einde toen de Noorse walvisvaart in het nieuws was. Ineens werd iedere buitensporter verondersteld Noorwegen te boycotten en er, een daad stellend, niet meer naartoe te gaan. Eigen schuld! Het was mijn beurt om verbaasd te zijn, dit keer over de selectieve verontwaardiging van Nederlanders die in hun leven waarschijnlijk een rits kistkalveren en miserabel levende kippen en varkens hadden opgegeten. Daar ging het gesprek niet over, dat kwam niet zo goed uit.
Kinderen klimmen en rennen in een speeltuin, Sandefjorders chillen op het gras in de zon. Ook voor hen is het voorjaar eindelijk begonnen. Ik fiets de stad uit.
Gemist
De laatste kilometers vóór Larvik gaan over een fietspad door het bos. Een echt fietspad, auto’s zijn niet eens in de buurt. Wat een feestje. Het bos maakt de lucht koel, de afwezigheid van ander verkeer brengt stilte. Nu pas realiseer ik me hoezeer ik die gemist heb. Vanmorgen en een groot deel van gisteren fietste ik naast de auto’s. Op dezelfde weg of op een fietspad ernaast, steeds met de onrust van het voorbijrijden en de ritselende herrie van spijkerbanden die klinken alsof je een bak met knopen leeggiet. Overal auto’s, de doodstille wegen waarop ik tot Strömstad fietste zijn er nog weinig geweest.
Niet de laatste
Iets anders tilt m’n moreel huizenhoog op, iets naast het pad. Sneeuw, de eerste op deze tocht. Niet veel en alleen op de plekken waar de zon niet komt, maar toch: sneeuw. Het zal niet de laatste zijn.
Ik steek de Numedalslågen over en fiets, zonder de stad in te gaan, langs de noordrand van Larvik via het talud bovenlangs de E18. In de buurt van waar de snelweg een nieuwe tunnel induikt gaat de weg over het oude E18-tracé en wordt, afgesloten voor ander verkeer, het breedste fietspad waarop ik ooit gereden heb en waarschijnlijk ooit zal rijden.
Alternatieven
Na Larvik blijf ik de loop van de E18 volgen. Soms zo goed als ernaast, soms op afstand ervan. Bij het uitzetten van de route heb ik gezocht naar rustiger alternatieven, maar die zijn er tussen Larvik en Porsgrunn niet. Ook sykkelroute 1 kwam tot die conclusie, mijn route valt er nog steeds mee samen.
Vanaf Larvik wordt het groener en grilliger, met een rotsbodem tot dicht aan de oppervlakte. Hier een weg aanleggen is geen zondagmiddagklusje, er zijn er daarom maar een paar, waarvan er één de goede kant op gaat. Die volg ik. Het is 22 kilometer tot waar ik de E18 verlaat, dat is te overzien. Gewoon fietsen.
Mild
Na de indrukwekkende Farrisbrua duikt een tamelijk nieuw (2018) stuk snelweg de berg in en volg ik de oude weg langs het Farrisvannet. De rust duurt een paar kilometer waarna de route de E18 weer tegenkomt, die even volgt en dan meer afstand neemt. Het wordt groener en stiller om me heen, de weg gaat omhoog en omlaag, het autoverkeer is mild. Ik fiets langs het Paulertjønn, een klein meer waarop een laag ijs ligt. De korte betovering is genoeg om m’n gedachten te laten stromen. Als hier – op 70 meter hoogte en dicht bij de kust – nog ijs ligt, wat staat me dan de komende dagen te wachten. Nieuwe motivatie stroomt als met een injectie m’n bloed in.
Niet zo slecht
De snelweg blijft op afstand en voelt verder weg dan de kaart doet vermoeden. Het is helemaal niet zo slecht fietsen. Ik buffel door, langs bosranden en open stukken, over de meeste van de dertien klimmen van vandaag. Het verkeer is te doen, de hemel blijft onberispelijk blauw, het groen altijd in de buurt.
Bij Langangen, waar het smalle Langangsfjord diep het land in prikt, kom ik de zee weer tegen. Even maar. De provinciale weg waarop ik fiets, de Langangsvegen door het dorp, vormde ooit de E18. Het doorgaande verkeer moest destijds afdalen tot het fjord en daarna weer steil omhoog richting Porsgrunn. Eind jaren zeventig is daarom een nieuwe weg gebouwd, de huidige E18 die over twee hoge bruggen (de Vestre Langangsfjordbrua en de Østre Langangsfjordbrua, hier goed te zien op de Noorse wikipagina) de laagte van het fjord oversteekt.

Bjønnåstunnel in aanbouw. Bij gebruik van een tunnelboormachine zouden de buizen perfect rond zijn, waarbij het onderste deel wordt gebruikt voor leidingen, vloeistofberging en technische ruimtes onder het wegdek. De gele ‘ventilatieslurven’ zijn voor de afvoer van vrijgekomen stof. De tunnel moet in 2026 klaar zijn.
De E18
Inmiddels is ook die weg bijna verouderd. Het is de bedoeling om uiteindelijk het hele Noorse deel van de E18, dat van Kristiansand via Oslo naar de Zweedse grens loopt, uit te bouwen tot een autosnelweg. Op grote delen van de weg betekent dat het verdubbelen van de nu enkele rijbaan, maar op een aantal plaatsen is dat niet mogelijk. Daar wordt een compleet nieuwe autosnelweg gebouwd, met daarin een aantal lange tunnels. En dat voor een weg waarop per etmaal zo’n 18.000 voertuigen voorbijkomen. Ter vergelijking: op de A2 zijn dat er (ter hoogte van Utrecht) 185.000. De investeringen zijn te begrijpen wanneer je bedenkt dat de E18 de enige grote weg is tussen het zuiden (met Kristiansand en Stavanger) en het oosten (met Oslo en de grens met Zweden) van Noorwegen. Zoiets als bij ons de A12 of de A15.
Een van de bouwplaatsen van een nieuw stuk E18 kom ik drie kilometer voorbij het Langangsfjord tegen, waar de Bjønnåstunnel wordt gebouwd, 2650 meter lang. De tunnel wordt niet geboord, maar met springstof uit de rotsen geblazen.
Niets
Ik fiets de inzinking van het fjord uit via een steile klim. De 130 hoogtemeters herbergen een bezienswaardigheid in de vorm van een 360-graden klimbocht, die in goed VVV-Noors Korketrekkeren heet, de Kurketrekker. Ik verwacht drommen toeristen, touringcars met Japanners en bermfotografen die het bedwingen van de bocht vastleggen, waarna je online je heldenfoto kunt bestellen. Niets daarvan. Ik wist dat-ie vandaag in de route zat, maar ben al halverwege als ik me realiseer dat het ‘m is. De hoogtepunten van een fietsdag zijn zelden die uit de folder, ik vond de laag ijs op het meer veel mooier.
Tot aan de brug over de Ønna volgt de weg de E18. Het zoeven van het verkeer, met jankende motoren en het grommen van vrachtwagens, vult m’n zintuigen tot de rand, daarna buigt de snelweg naar het zuiden af en volg ik de fylkesvei 32 verder naar het noordwesten. De laatste kilometers tot Porsgrunn zijn een suizende afdaling, met in de verte een witte rand waar dikbesneeuwde bergen boven de horizon uitsteken. Ik kan m’n geluk niet op, daar ga ik naartoe.
Tevreden
Aan de rand van de stad drink ik een cola bij een Uno-X tankstation met pizzabakeren op de gevel. Binnen is het net zo functioneel kaal als in Tønsberg, op een warme inrichting staan hier mogelijk strenge straffen. Het is vijf uur, ik fiets door buitenwijken met grote supermarkten, heel tevreden over hoe ik vandaag heb doorgeduwd. Een stevige rit tot nu toe, zowel wat betreft hoogtemeters als de onrust van het verkeer. Ik ben er bijna, nog maar twee klimmen en een kleine twintig kilometer tot de plek waar ik wil slapen.
Geen oplossing
Porsgrunn wordt aangenamer met de kilometer. Na een lang stuk langs autowerkplaatsen en god-weet-wat in grote hallen fiets ik door het centrum. Dat is leuk, werkelijk leuk, met mooie straten en winkels waar wat van gemaakt is. De gemeente is bezig met het zand- en steentjesvrij maken van de winkelstraten. Die liggen maandenlang onder een laag sneeuw, maar zout strooien is in de noordelijke kou geen oplossing, daarvoor zijn de temperaturen te laag en valt de sneeuw te vaak en te dik. In Noorwegen wordt daarom, net als in Zweden, een mix van zand en gravel gestrooid die verijsde sneeuw stroef maakt. Niet op de wegen, daar rijdt iedereen met spijkerbanden, wel op stoepen en winkelstraten. Aan het eind van de winter wordt dat weer opgeruimd, zoals hier. Ik zie het voor het eerst, ik was vaker in het winterse noorden, maar niet eerder in de overgang naar het voorjaar. Het opruimen is een teken dat de winter echt voorbij is.
Gehouden
Verderop fiets ik langs een gebouw waar overduidelijk brand geweest is. Nog niet zo lang geleden, een kraan is bezig met het weghalen van puin, de kopgevel – die los staat na het instorten van het weggebrande dak – is gestabiliseerd. Van de bovenverdieping staan alleen nog de muren, daaronder is de brand er zo te zien bij één raam uitgeslagen. Op die verdieping hebben ze ‘m gehouden. Na wat gezoek ontdek ik dat het de Meierigården is, die op de avond van 16 maart is gaan branden. In m’n brandweertijd heb ik brand leren kennen als een monster, een geblakerd gebouw is de dood die het monster heeft achtergelaten. Het voelt altijd spooky.
Doel
Na Porsgrunn volgen de twee laatste klimmen. Het begin van de avond is niet m’n beste moment, ik moet mezelf er toe zetten. De eerste en langste begint meteen na het oversteken van de Porsgrunnselva en gaat 150 meter steil omhoog, met de zon die op m’n kop brandt. De koele afdaling voelt als beloning, na de korte tweede klim daal ik af naar het Vollsfjord, waar ik thuis een camperplaats heb ontdekt, m’n doel voor vanavond, de plek voor vannacht.
Weinig
Om vijf over zeven ben ik er, na ruim honderd kilometer. Moe en blij. Ik fiets de korte weg naar de waterkant in en passeer de camper-camping, een stuk gras waarvoor je volgens een bord NOK 200 moet betalen bij de kiosk op de hoek. Daar voel ik weinig voor, ik heb geen camper, verbruik bovendien geen stroom en heb zelfs m’n eigen water bij me.
Op een groot deel van het fjord ligt ijs. Thuis zag ik op Google street view dat er naast de camperplaats nog een grasveld is, zelfs met picknickbanken. Ik fiets langs iets dat eruitziet als de afbakening van dat veld en zet m’n fiets bij een van de banken. Ik ga zitten en ben benieuwd wat er gebeurt. Word ik weggestuurd? Daar lijkt het niet op, ik heb nog niemand raar zien kijken, waarschijnlijk is dit inderdaad openbaar gebied. Ik besluit dat het nu officieel is dat ik er ben.
Vriendelijk
De zon is al ver gezakt, het begint af te koelen. Actie dus, tent opzetten, tent inrichten en koken. En ondertussen hopen dat niemand alsnog komt vertellen dat ik hier niet mag staan. Als m’n slaapplek klaar is en ik me installeer op de bank komt er een vrouw naar me toe. Haar toon en gezicht zijn vriendelijk, ik begrijp haar niet helemaal maar denk dat ze alleen wil weten wat m’n plannen zijn. Ze lijkt gerustgesteld en loopt terug. Ik ben ook gerustgesteld, ga weer zitten en kook fusilli met vegetarisk bolognesesaus. Ik neem me voor geen trieste gedachten te krijgen bij de wetenschap dat Elsbeth en de beide mannen nu aan het uit-eten zijn om onze trouwdag te vieren. Dit is niet zo’n avond als bij Bergamo, waarop ik de restaurant-foto kreeg op het moment dat ik gestrand was, moe en zonder slaapplek.
Inderdaad, dit is niet zo’n avond. Ik maak een grote beker koffie, trek m’n donsjas aan en bel Elsbeth. Ben gelukkig met het horen van haar stem, voel me gelukkig aan het ijsfjord. Waar ik niet veel later in een diepe slaap val.














