Laat voor het eten

Niet alle dolers zijn de weg kwijt

Naar Stavanger | Dag 17

Zonsopkomst camping Strömstad

Half zes ’s morgens.

Foto hierboven: de Svinesund, grens tussen Zweden en Noorwegen.

’s Nachts moet ik er weer twee keer uit. Bij de tweede keer is de zon net op, in de stilte van de slapende camping voel ik me net zo verloren als gisteravond. De wekker staat om half zeven, ik zet hem uit. Ik moet slapen, niet nog een uurtje maar zo lang als ik nodig heb. Om kwart voor acht word ik voor de tweede keer wakker, onvast en slaperig. Eerst douchen, wakker worden en m’n lijf verzorgen, daarna verder.

Mijn plek

Ik was m’n handdoek uit en hang die in de zon te drogen. Breng m’n spullen naar de picknickbank en ontbijt. De energie komt terug, ik pak m’n tassen in en rijd naar de receptie. Na het bedanken van de vrouw achter de balie fiets ik weg, stop en kijk nog eens om. Een leuke plek. De keuken, de bank waarop ik video’s keek, m’n eigen speeltoestel-wasrek, de vriendelijkheid van de mensen van de camping, de vriendelijkheid van wat ik moest afrekenen. Mijn plek die me zelfs, ontdek ik terwijl de receptie uit het zicht verdwijnt, een beetje dierbaar is geworden. Dat laatste mag alleen m’n videocamera weten.

First Camp City Strömstad

Zelfs een beetje dierbaar.

The guy

Exact om tien uur sta ik bij de deur van de fietsenwinkel, waar de rolluiken net omhoog gaan. “Ah, you are the guy…” “Yes, that’s me” “Give me half an hour”. Ik loop naar buiten en besluit m’n tijd goed te gebruiken. Wat ik vanmorgen had willen doen – langs de ICA gaan voor de laatste inkopen vóór Noorwegen – doe ik nu. Vlakbij is een shopping mall met een Willy:s, in Zweden vaak gezien, maar nooit van binnen.

De supermarkt is enorm, met alles in kartonnen dozen, deels gevuld met merken waarvan geen sterveling ooit gehoord heeft. Het ziet eruit alsof het niemand interesseert wat je daar komt doen. Pak wat je wilt en donder zo snel mogelijk weer op. Dat doe ik dan dus maar.

Eten kopen is voor mij meer dan een functionele gebeurtenis. Goed eten vind ik belangrijk. Daar hoort ook het kopen bij, het uitzoeken, het verleid worden. Ik wil een limoen of avocado in m’n handen gehad hebben voordat ik ‘m kies en opeet. M’n boodschappen haal ik zelf, ze laten bezorgen is een volgende stap in de vervreemding van waar eten vandaan komt. Na de Italiaanse kruidenmix waarmee elke smaakbalans onmogelijk is en de cleane kipfilet die niet meer afkomstig lijkt van een geslacht dier.

Blij

Ik koop, de dozen ten spijt, een paar rázendslimme dingen die Noorwegen vast niet heeft. Een kleine zak Polarbröd, vegetarische instant bolognesesaus, een tube dillkaviar en twee repen chocola. Bij de fietsenwinkel reken ik SEK 499 (€ 44,95) af en neem een fiets mee met een achternaaf zonder speling, versnellingen die gecheckt zijn en een standaard die weer muurvast zit. Ik laad op en rijd om elf uur weg. Blij.

Fietsen tussen Strömstad en Svinesund

Tussen Strömstad en Svinesund.

Fietsen tussen Strömstad en Svinesund

Stille weg bij Barkhyttan.

Voorjaar

Ik rijd Strömstad uit en het bos in, over een kleine, verlaten weg waarover ook de EV3 loopt. Het is blakend weer met blauwe lucht, een koesterlijke zon en een temperatuur die het goed vindt dat ik met alleen een ondershirt en jas fiets. Geen trui, geen muts, geen handschoenen. Voorjaar.

In de rust van het fietsen denk ik aan gisteravond. Misschien moet ik erkennen dat ik me alleen ga voelen wanneer een tocht drie weken duurt. Misschien is het alleen een dood punt dat voorbij gaat. Ik weet nog niet welke van de twee het is.

Deel drie

Ik begin aan de laatste week, deel drie van de tocht na Amersfoort-Kopenhagen en Kopenhagen-Strömstad. Landschappelijk gezien waarschijnlijk het mooiste deel, fysiek gezien het hardste werken. ‘Ga ervoor’ zeg ik tegen mezelf, ‘maak er het hoogtepunt van dat het in zich heeft. Er is niets dat je tegenhoudt, je lijf niet, je spullen niet, zelfs het weer niet. Hervind de spirit en zorg goed voor jezelf. Eenmaal in Stavanger is er het symposium, waar je mensen om je heen hebt. En maak je niet te druk over dat fokking fietsticket.’ Ik had nooit gedacht dat mij dat zou overkomen, maar ik verlang naar menselijk contact en naar een plek waar ik thuis ben.

Raar

De weg gaat omhoog, het asfalt is goed, om me heen fluiten de vogels. Na een mooie stille slingerweg door het bos, omhoog en omlaag, bereik ik het Svinesund köpcenter. In Frankrijk zou dit een centre commercial heten, een bedrijventerrein buiten de stad met winkels in fantasieloze hallen. Het terrein heeft drie enorme snoepwinkels (waaronder een vestiging van Goddishuset, het Snoephuis), een paar supermarkten en iets dat mij als een magneet naar zich toetrekt.

Godishuset Svinesund

Godishuset Svinesund (videobeeld).

Echt eten

Tien minuten later zit ik achter een Whopper-menu. Ik eet zelden vlees, maar nog nooit kwam een burger zo precies op het goeie moment (en was-ie zo lekker). Bij de Mac was me dat niet gebeurd, die burgers hebben de consistentie van babyvoeding, als je een beetje je best doet zuig je ‘m tussen je voortanden door naar binnen. Een Whopper lijkt tenminste nog op eten, zonder augurkschijfjes die met chirurgische precisie geplaatst zijn en ketchup die over de hele wereld in exact dezelfde hoeveelheid (ik vermoed tot op tienden van fluid ounces nauwkeurig) is gedoseerd. Als je een Whopper eet valt er sla uit (sla!) en is het papier eromheen hard nodig om te voorkomen dat je er na het eten uitziet als een kleuter na z’n eerste bordje yoghurt. Echt eten, toch. Hou ik van.

Volgende hoofdstuk

Dat dit bedrijventerrein hier – middenin het bos – ligt is niet per ongeluk. Een kilometer verderop is de grens met Noorwegen, waar dingen als snoep kennelijk veel duurder zijn. Net als boodschappen en alcohol. Alles eigenlijk. Het is ondertussen één uur, ik heb na een late start een stevig begin gemaakt en ben klaar voor het volgende hoofdstuk. De weg langs de hallen en reclameborden houdt op en gaat over in een fietspad dat zich even later bij de O 1040 voegt. Ik rijd een brug op, met diep beneden me de Svinesund, een zee-engte (sund) die de grens vormt tussen Zweden en Noorwegen. Halverwege de brug passeer ik een bord met ‘Norge|Noreg’. Noorwegen is veeltalig. Bij het geschreven Noorse woord zijn er twee talen, het Bokmål (waarin Noorwegen Norge heet) en het Nynorsk (dat het over Noreg heeft). Wat de Noren spreken is een variant op die schrijftalen, met verschillen van streek tot streek. Veel talen dus. Een bord laat weten dat ik Viken fylke binnenfiets, gemeente Halden. De provincie Viken heeft maar een paar jaar bestaan en is ondertussen uiteengevallen in de drie provincies waarvan het een samenvoeging was. Dit is nu de Østfold fylke.

Svinesund

Svinesund.

Fietsen in Zuid-Noorwegen

…zodat je een idee hebt waar in Noorwegen ik ben. De rode punt is de grensovergang bij de Svinesund.

Groot

Er veranderen dingen. De verkeersborden zijn weer wit in plaats van geel, op de weg razen motoren. In Zweden heb ik er in ruim zes dagen twee (drie?) gezien, hier komt me in korte tijd een veelvoud daarvan voorbij. En de Noren rijden, ontdek ik, in hele grote auto’s. Duitsers zijn eraan verknocht, zo te zien geldt dat ook voor de Noren.

Beproefd

In dit deel van Noorwegen volgt mijn route stukken van de Nasjonal sykkelrute 1, de Kystruta (Kustroute), een van de nationale langeafstand-fietsroutes van Noorwegen. Voor het gemak, omdat dat beproefde routes zijn en ik de drukte op de wegen minder goed kan inschatten dan in Zweden – al gaat het (zie het eerste stuk na Borås) ook daar soms mis. Ik volg fietsroute 1 tot Porsgrunn, waar de route de kust blijft volgen en ik afbuig, het binnenland in.

Doorheen

Bij het maken van de tracks zag ik dat me op fietsroute 1 een mix te wachten staat van grotere, doorgaande wegen en kleine wegen van dorp naar dorp. Beide blijken anders dan verwacht. Na de eerste Noorse kilometers over een vrijliggend fietspad gaat de route via weg 118, op de kaart net zo groot als een Nederlandse N-weg, maar minder druk dan ik vreesde. Wat helpt is dat de weg parallel loopt aan de E6, waar het doorgaande verkeer waarschijnlijk voor kiest. Het blijft een brede lap asfalt, waarop ik naast de auto’s fiets, strak langs de belijning. Met m’n blik schuin op de weg door de flinke tegenwind maak ik kilometers zonder veel moeite, m’n benen zijn vol na de hamburgerstop. Om me heen golft het open land, met gras en bedrijventerreinen. Niets waarvoor je hier naartoe hoeft, ik moet er gewoon doorheen.

Fietsen naar Høysand

Bomvei tot Høysand.

Bomvei

Na zeven kilometer over de 118 mag ik er vanaf, een privat vei in, en krijgt fietsroute 1 op slag een ander karakter. Van breed asfalt naar een zand- en gravelweg langs het bos, rode houten huizen, boerenerven en een bordje bomvei (tolweg). In Oslo zijn dat wegen met tolpoortjes, op het platteland is een bomvei een weg die, om het gebruik ervan te reguleren, is afgesloten met een slagboom. Vaak zijn dat privéwegen (zoals deze) voor alleen aanwonenden of voor bosbouw. Even twijfel ik of ik hier wel mag fietsen, maar er staan zelfs routebordjes van sykkelrute 1. Echt een leuk stuk.

De weg gaat iets omhoog, aan de andere kant daal ik af naar een baai, de Skjebergkilen, een fjord-arm die uiteindelijk in verbinding staat met het Skagerrak. Høysand heeft houten huizen, witte caravans en een jachthaven. De lucht is diepblauw, op straat lopen kinderen met ijsjes. Dat triggert meestal niets, het laatste ijsje-op-een-tocht was in een dorp vóór Rome, ook toen een bijzonderheid. Het geweldige voorjaarsweer maakt een vakantiegevoel wakker, ik ga in de remmen en naar binnen. Bij een heel aardige zigeunerkoningin met vorstelijk decolleté en ruim zicht op een rimpelige borstwering bestel ik een soort Magnum en eet die op het terras op. En dat half april in Noorwegen, ik doe nieuwe dingen.

Benieuwd

Vanaf Høysand wordt de weg weer groter en gaat na Skjeberg door open land, golvend langs gras en door een enkel bos. De wegen zijn niet al te druk, ik fiets regelmatig op een vrijliggend fietspad. Allemaal niet bijzonder, ik kom wel ergens. Bij Årum daal ik over een zandpad af naar de Glomma. Ik was benieuwd of ik hier kon fietsen. Bij sneeuw zou het pad tussen de bomen niet geschoven zijn, als het onfietsbaar zou blijken was het pad langs de rivier onbereikbaar. Er is geen sneeuw en het pad is breder dan verwacht, bij een picknickbank houd ik een pauze aan de langste rivier van Noorwegen, aan de overkant ligt Sarpsborg.

Fietsen Sandesund bru Sarpsborg

Opgang van het fietspad bij de Sandesund bru.

Wie zal het zeggen

Het is kwart over vier, ik heb er 56 gedaan. Mooi, met de late start van vanmorgen ben ik blij met elke kilometer. Ik doe er in elk geval tachtig, iets meer zit er ook wel in, en kijk dan of ik een camping of bosplek vind. Dan is het goed. Als ik de geest krijg ga ik door tot negen uur, neem alsnog de ferry en plant ik m’n tent neer op de beoogde camping. Wie zal het zeggen. Ik heb het prima naar m’n zin, hoewel de stukken langs de doorgaande wegen verrekte saai zijn.

Spectaculair

Ik fiets naar de Sandesund bru, een lange (anderhalve kilometer), hoge brug over de Glomma waar op de kaart een fietsroute overheen loopt. Maar hoe? Hoe bereik ik met de fiets vanaf rivierniveau het hoge brugdek? Thuis was dat op Google slecht te zien. De track volgend kom ik uit bij een lange fietspad-opgang naar boven. Het is spectaculair om geleidelijk boven het water uit te stijgen en vlak onder het betonnen autodek uit te komen. Heel spectaculair.

Fietsen brug Sarpsborg

Uitzicht op de Glomma.

Fietsbrug Visterflo

De oude brug (nu fietsbrug) over de Visterflo (videobeeld).

Geen druk

Aan de Sarpsborg-kant fiets ik langs een bedrijventerrein op de noordelijke oever van de Glomma, neem de oude planken brug – nu fietsbrug – over de Visterflo en ga over een stoep-fietspad langs het water naar het noorden.

Het was niet eenvoudig om in dit gebied een route te maken. Fietsroute 1 gaat na Sarpsborg terug naar het zuiden en maakt een grote lus langs de kust. Dat zou veel kilometers hebben toegevoegd. Te veel. Bij het uitzetten van de route heb ik, wijs geworden door eerdere tochten, de lengte van de dagetappes bewaakt. In heuvelend terrein als dit fiets ik honderd kilometer comfortabel weg, als het meer wordt geeft dat een voortdurende druk om het te halen. In Noorwegen wil ik die druk niet, ik wil de tijd hebben.

De route waar ik op uit ben gekomen vermijdt omzwervingen, maar gaat een paar kilometer over een grotere weg. Daar kan ik mee leven, de fietsroute-lus die ik oversla ontkomt ook niet aan drukke stukken, er zijn hier maar een paar wegen.

Riksvei 110 naar Karlshus

Riksvei (rijksweg) 110 naar Karlshus (videobeeld).

Veldwachter

De zon staat vreemd laag, alsof ik in Noorwegen in een andere tijdzone zit. Waarschijnlijk komt dat omdat ik voortdurend naar het noorden fiets en ik in dit open land voor het eerst sinds de Zweedse bossen (en met deze blauwe lucht) de zon de hele dag zie.

Ik verlaat de weg langs de Visterflo en sla linksaf, het land in. Het verlaten van een meer of rivierdal betekent meestal dat ik flink omhoog moet, ik zet me schrap. Dat blijkt niet nodig, ik klim maar een dikke veertig meter. Daarna volgt een suizende afdaling en een serie korte felle klimmen waarop ik er soms even af moet. Het lege land is nergens spectaculair, maar leuk genoeg. De vijf kilometer over de aanvaardbaar-drukke riksvei 110 zijn vlak als de Flevopolder en zó voorbij. Bij Karlshus mag ik eraf en neem de Tesalaveien pal naar het westen. Dat betekent wind in de rug, het gaat als een trein, op het goede moment want ik wil die tachtig kilometer vandaag maken. Het is etenstijd, ik heb de weg voor me alleen.

Sykkelrute 1 bij Rygge

Splitweg door het bos ten zuidwesten van Rygge.

Niet laat

Het gaat zo goed dat ik bereken hoe laat ik aankom als ik toch doorfiets naar de camping in Horten, waar ik had willen overnachten. ‘Bél die camping en vraag of dat een probleem is’ coach ik mezelf, ‘wie weet kan het gewoon’. Het is na zessen maar ik krijg zowaar iemand aan de telefoon. “Ik ben op de fiets en kom pas laat aan, kan ik dan nog overnachten?” “Wat is laat?” “Half tien.” “Dat is niet laat. Fiets maar naar de receptie, op de deur hangt een telefoonnummer. Bel dat en ik kom naar je toe”. Ik weet het nu zeker: ik fiets door.

Heerlijk

Tussen Karlshus en Rygge kom ik fietsroute 1 weer tegen en gaan we samen verder over een grotere weg. Niet lang daarna gaat de route het land in, over een privat vei met zand, split en modder. Na alle asfalt en leegheid is het heerlijk om hier te fietsen. Ik dender over een stuk half omgeploegd land en langs kuilen waarin regenwater is blijven staan, achter een boerderij langs en bijna over een erf. Bomen en stilte, alleen een man die z’n hond uitlaat. Even ben ik bang dat het de veldwachter is die me op staat te wachten (fietsroute of niet, het voelt niet legaal), maar hij zegt alleen gedag. Het is half zeven, nog 26 kilometer te gaan tot de ferry in Moss.

Grillig

Bij Evje ga ik met fietsroute 1 het bos in voor het laatste stuk tot aan Moss. Wel met een lus richting de kust, maar de paden en kleine wegen door het groen zagen er op de kaart zo avontuurlijk uit dat ik de extra kilometers voor lief neem. De fietsroute, die ik inmiddels heb leren kennen als een grillige tochtgenoot, blijkt onbetrouwbaar. Ik ben best wat gewend, er moet echt wat aan de hand zijn wil ik omkeren, maar het wandelpad waarin de route verandert verdwijnt tussen de struiken. Terwijl de zon zakt zoek ik in alle hoeken van de bosrand, maar meer dan een smal spoor vind ik niet. Het wordt laat, ik krijg de kriebels en hak de knoop door. Exit fietsroute. Het was leuk zolang het duurde, maar nu is de liefde voorbij en het vertrouwen weg. Het risico van ergens stranden is me te groot. Ik fiets terug naar de doorgaande, verharde weg en jakker in de ondergaande zon in een rechte lijn naar het noorden, naar de haven van Moss.

Ferry Moss

Ferry Moss-Horten.

Ferry Moss-Horten

De zon gaat onder, de Noorse vlag wordt gestreken.

Free

De ferryhaven van Moss is gemakkelijk te vinden. Bij aankomst is het tien over acht, ik ben heel tevreden. Ik fiets naar een loket, zeg “hej” en kijk de man vragend aan. “Haj” krijg ik terug, “it’s OK, you’re free!” Ik had gelezen dat het veer gratis is voor fietsers en voetgangers, maar heb bij eerdere ferry’s geleerd voorzichtig te zijn met aannames. Hoest.

Lost

De zon nadert de horizon, alles kleurt oranjegeel. Een ferry gaat net weg, in de verte komt de volgende er al aan, deze dienst wordt met meerdere schepen onderhouden. Kalm en precies legt het platte witte schip aan, de slagboom gaat omhoog en de auto’s rijden de wal op. Als alles weg is fiets ik stapvoets naar de ferry, m’n ogen gericht op de mannen in gele jassen die het inschepen regelen. Een van de mannen gebaart me naar links te gaan, “are you lost?” zegt hij lachend. De strook voor fietsers loopt aan de linkerkant, niet rechts. Ik knik en ga naar links, “walk with the bike” roept z’n collega. Als ik een ferry oprijd roept er altijd iemand iets naar me, het is mijn onafwendbare lot dat ik altijd iets verkeerd doe. “It’s parking in the center, on your left side”. De aanwijzingen zijn duidelijk en rustig, niet zoals in Duitsland waarbij er meteen consternatie is. Ik loop de ferry op, zet m’n fiets neer en haal het avondeten uit de tas. Loop de trap op naar boven en ga in een fauteuil zitten, met het raam als levensgroot TV-scherm waarmee ik uitkijk op het Oslofjord.

Trouw

Terwijl de ferry aan de oversteek begint eet ik het laatste Polarbröd, met de laatste dillkaviar en een flesje MER. Aan de andere kant van het raam gaat de zon onder. Een man strijkt de Noorse vlag, trouw aan de regel dat een nationale vlag niet buiten mag hangen na zonsondergang. Zeevarenden zijn daar precies in.

Na een mini-cruise van dertig minuten legt de ferry aan in Horten. Het is negen uur, ik start de korte track naar de camping, twee kilometer fietsen. Ik ben heel blij dat het gelukt is, het betekent dat ik m’n schema van verkende overnachtingsplekken kan blijven aanhouden en waarschijnlijk niet hoef te improviseren.

Fietsen Horten

De laatste kilometers (videobeeld).

Al lang blij

Een kwartier later sta ik bij de receptie en bel de beheerder. Ik krijg een plasketting met een tegoed van 20 Noorse kronen (NOK) waarmee ik vier minuten kan douchen. De overnachting kost NOK 300 (€ 26,50). “Voor een persoon met een fiets, zonder elektriciteit?” vraag ik voor de zekerheid. “Ja” zegt hij, “met of zonder elektriciteit is dezelfde prijs, als mensen een plek zonder elektriciteit nemen gaan ze toch hun telefoon opladen”. Ik ben al lang blij dat ik hier nog terecht kan en reken NOK 320 af, maar eigenlijk is het ongehoord duur. Zoveel betaalden we in Zweden met ons vieren, inclusief VW-bus en elektriciteit. Het is geen kwestie van ‘dit is Noorwegen’, eerder ‘dit is toeristengebied’. De Noorse kusten, vooral de fjorden in het zuidwesten, hebben in de zomer te maken met een toeristen-druk die niet leuk meer is. Dat doet iets met prijzen en – wanneer de wegen dag na dag verstopt zijn met lange slierten Duitse campers – met de houding van de bevolking. Landinwaarts en verder naar het noorden verdwijnt dat gelukkig.

‘Wat kan mij het schelen’ denk ik, ‘de man heeft me laat op de avond nog geholpen en ik heb een plek, meer had ik me niet kunnen wensen’. Ik ga op een picknickbank zitten en bel Elsbeth. Haar stem is muziek, ik zet m’n tent op en eet en drink nog wat. Het is bijna half twaalf. Op de weg langs de camping komen auto’s voorbij, het felle koplamplicht glijdt over het gras en de caravans. In de verte hoor ik muziek van jeugd die chilt op het strand, in gedachten hoor ik de stemmen van Dirk en Sietse er bovenuit. De meeuwen krijsen, die gaan nooit slapen. Deze fietser wel, die doet na toilet en tanden het licht uit. Voldaan.

Dag 18 | Horten – Voll

Overzicht

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.