Laat voor het eten

Niet alle dolers zijn de weg kwijt

In het spoor van Bach | Dag 2

fietsen MSR FreeLite 1

Alles blijft droog.

Foto hierboven: in de buurt van Hommersum (D).

’s Nachts word ik waker van keiharde regen. Geen idee hoe laat het is, het moet vóór half vijf zijn want het is aardedonker. De eerste intense regenbui die de FreeLite 1 meemaakt, de binnentent is volledig van gaas, als de tent niet waterdicht is merk ik dat meteen. Het regent een groot deel van de nacht, alles blijft droog, m’n vertrouwen groeit in dit minimalistische model. Uit m’n arsenaal heb ik de slaapzak meegenomen die tot -2 gaat. Een goede keuze, ik heb het niet te warm gehad.

Ik slaap meteen weer in, zodra ik m’n ogen dichtdoe gaat het dromen verder. Op de eerste dagen van een tocht verdwijnt waar ik thuis mee bezig ben uit m’n hoofd en wordt die plaats ingenomen door hele verhalen die in m’n dromen voorbijkomen. Dan slaap ik intenser dan thuis. Er gaat geen slaap boven die in een tent, in een nacht zonder geluiden, in de koele lucht van buiten.

Goed en genoeg

Om vijf voor zeven doe ik m’n ogen open. Goed geslapen, genoeg geslapen. Ik realiseer me dat ik in deze tent voor het eerst met licht opsta. Op de tocht naar de Middellandse Zee ben ik m’n tent tien dagen lang in het donker in- en uitgekropen. Voor het eerst zie ik hoe het is om erin te liggen. Klein en toch groot genoeg. Ik douche, verzorg m’n lijf en pak in. Het is droog, als het dadelijk gaat regenen, en dat gaat het, zit alles in de tassen. Alleen de buitentent is nat, maar die is op een tocht alleen op dag 1 droog, of een enkele keer na een condensvrije nacht. Het gras is kletsnat, ik breng alles naar een droge picknicktafel onder het afdak en pak m’n tassen goed en logisch in. Spinnend. Ontbijten doe ik onderweg wel, het is met kwart voor acht al laat, ik wil de weg op.

Een sportinstructrice zet spullen klaar voor de les die ze dadelijk onder het afdak geeft. “Pilatus en buikspieroefeningen” zegt ze, “voor vrouwen”. Een collega voegt zich bij haar, “jammer dat het regent, toch een fijne dag.” Ik vraag of ze weet waar de boer is, ik moet nog betalen. “Volgens mij zijn ze de geiten aan het melken in de grote stal”.

geitencarrousel

“Ja, sneller, sneller!” hoor ik de meiden roepen, maar de boerin is onverbiddelijk.

Fromage de chèvre

Daar loop ik naartoe, ga een trap op en kijk vanaf een balustrade neer op een carrousel waarin de geiten gemolken worden. Een vrouw is beneden aan het werk, “goedemorgen!”, maar is zo druk bezig dat ik haar niet wil storen. Ik loop naar beneden en bel het nummer dat daar op een bord staat. De boer komt naar buiten, ik betaal 12 euro en vraag hem naar wat ik zojuist gezien heb. “Die geitencarrousel is vast een stevige investering geweest”. Hij knikt en legt uit “een deel van de melk blijft in Nederland, een deel gaat naar Duitsland en een deel naar Frankrijk”. Die fromage de chèvre die ik bij de Intermarché koop kan dus best bij De Grote Bredelaar vandaan komen. “En geitenmelk wordt ook voor babyvoeding gebruikt, voor baby’s die geen koemelk verdragen”.

Zo gaat dat hier

Om kwart over acht fiets ik weg. In Bemmel, aan de andere kant van de A325, kom ik meteen de bakker tegen die ik zoek, dan hoef ik straks Nijmegen niet in. Ik zet m’n fiets neer en sluit aan in de rij. Buiten begint het te regenen, ik verlaat de rij en zet m’n fiets onder het afdak. Bij terugkeer zetten twee dames die later binnen zijn gekomen een stap naar achteren. “Ga hier maar weer staan, op je plaats in de rij”. “Zo gaat dat hier”, zeggen ze trots als ze m’n verbaasde blik zien. Ik bedank ze en bestel een paar bollen en een pain aux raisins. “Was dat het?” zegt de vrouw achter de vitrine, terwijl ik eigenlijk hoopte dat ze “Avec ça?” zou zeggen, en ik “Oui madame, ça sera tout” kon antwoorden. Als bij de Marie. “Tenzij u ook koffie heeft!” zeg ik in plaats daarvan. “Ja hoor” zegt ze, “die heb ik”. Veel blij, grote blij. Ik neem de koffie mee naar buiten en ga op een bank onder het afdak zitten. Binnen is het me te warm en te druk, bijzonder hoe snel m’n lijf en ik omschakelen.

Bemmelse Waard

Bemmelse Waard.

Net zo mooi

Ik probeer of ik het afkan met alleen een jas, maar honderd meter na m’n ontbijt begint het harder te regenen. Elke seconde die ik twijfel maakt me alleen natter, ik stop om broek en overschoenen aan te doen. Bij het Kruidvat ga ik naar binnen voor iets in m’n EHBO-set. Een mevrouw ziet me zeiknat binnenstappen, “da’s ook gee’ weer om te fietse! Gotsiemijne!” Ik schaar me achter die analyse. In vallend water fiets ik door het grijs-met-groene landschap van de Bemmelse Waard, denkend aan drie jaar geleden toen ik hier in de aprilzon fietste. Nat of niet, het is hier nog net zo mooi als op weg naar de Zuidpunt.

De regen houdt op, ik fiets de Waalbrug over. Rechts, op de andere oever, doemt het Belvédère (‘mooi uitzicht’) op dat al van jongs af aan de toren is vanwaar spiedende ogen in de gaten houden wie de Waal oversteekt, om daar vervolgens tol voor te heffen. Niks ‘intieme evenementenlocatie’, maar een keiharde wachttoren die niet met zich laat spotten. Achter de uitkijk staat een pot hete pek klaar voor wie niet wil betalen. Hoewel Dennie Christian op de luidspreker zetten waarschijnlijk genoeg is om zelfs de spijkerhardste wanbetaler zo zacht als boter te maken (“ik betaal alles, alles, als je die muziek maar uitzet”). Op de toren wappert de vlag, ze zijn thuis. Zou het innen met zo’n mandje gaan, dat uit de toren naar beneden wordt gelaten? Moeten daar dan sestertiën in, florijnen of dukaten? Ben benieuwd hoeveel het is. De tolgaarder let niet op, geen mandje. Opluchting.

LF3 bos Nijmegen

Betonfietspad ten zuiden van Nijmegen.

Een plaats?

Ik overleef het Keizer Karelplein, ben zó door Nijmegen heen en passeer een plaatsnaambord met ‘Heilig Landstichting‘. ‘Dat is een plaats?’ denkt de Bachfietser die z’n eigen land denkt te kennen. De bebouwing dunt uit, rechts verschijnt de spoorwegovergang waar ik als brandweerman geconfronteerd werd met iemand die uit het leven was gestapt. Na een links-rechtsje fiets ik over een recht betonnen fietspad het bos in. Stilte.

Goed genoeg

Het golvende fietspad is leeg genoeg voor een eerste experiment met het al fietsend filmen van mezelf. Ik overweg om YouTube-video’s te maken, maar alleen als wat ik film goed genoeg is. Filmen is wat anders dan schrijven en vertelt een verhaal op een heel andere manier, ik merk dat ik teveel wil vertellen terwijl de beelden dat moeten doen. Dat kunnen ze alleen als ze meer zijn dan opnames vanaf het stuur. Daar is tijd, alertheid en filmisch besef voor nodig.

Het experiment levert niets op waar ik tevreden over ben. Niet erg. Beginnen aan een nieuwe leercurve schrikt me niet af, maar ik merk dat ik gewoon wil fietsen. Onderweg foto’s maken en ervaringen inspreken om thuis het verhaal te kunnen vertellen ben ik gewend, video’s maken blijft iets voor de toekomst.

fietsen Mook

Tussen Mook en Groesbeek. In de verte, rechts, ligt Duitsland.

Nu wel

Op een kruising blijf ik links in Gelderland en ga ik rechts naar Limburg. Ik doe beide niet en ga rechtdoor een onverharde bosweg in, die na wat gehobbel een scherpe knik naar links maakt. In de verte ligt golvend Duitsland, waarnaar ik ooit vol verlangen keek toen ik de grens niet over mocht. Allemaal plekken waar ik drie jaar geleden langs fietste. Nu ga ik die grens wel over en fiets ik over een smalle weg door het Reichswald, die me doet denken aan de weg door de Hoge Venen. Geen zand-met-keienweg zoals ik verwachtte, maar golvend en versleten asfalt. Erg leuk fietsen. Ik doe m’n regenjas aan omdat het toch weer spettert, terwijl achter me blauwe lucht gloort en boven me de wolken haast hebben. Misschien drijven ze over.

fietsbrug Niers

Fietsbrug over de Niers bij Kessel (D).

Spannend

Ik zit steviger in het zadel dan gisteren, hoewel ik het nog steeds spannend vind waar ik vanavond ga slapen. En in de nachten daarna. Ik heb bedacht dat ik vanavond ergens rond Krefeld slaap, misschien aan de Rijn als daar een verdwijnbos is. Niet volgens de kaart. Hier zou ik het wel weten, ik loop hoogstens 15 meter het bos in en niemand ziet me meer. Hoe dan ook, ik ga in deze tocht de lol vinden.

Het Wald verdwijnt achter me, ik fiets nog steeds door Duitsland, met een fietsbrug steek ik de Niers over. Elsbeth heet zo, ze is vast trots op me. De grijze wolken zijn wit geworden en laten gaten vallen, waardoor zonlicht op een veld klaprozen valt. De rode bloemblaadjes zijn blije vlaggetjes tegen de bewolkte achtergrond. Alsof herfst en voorjaar bezig zijn met armpje drukken en er geen duidelijke winnaar is. Soms lijkt Voorjaar te winnen, maar Herfst slaat telkens terug. Ik fiets over stille landwegen, vermaak me en ga opnieuw de grens over.

De Maasduinen

Het nationale park zelf is prachtig.

Route

Ik heb de route langs en door nationaal park De Maasduinen laten lopen, waarvan de natuur en de fietspaden me op weg naar de Zuidpunt verrasten. Ik verheug me erop. In plaats daarvan duurt het niet lang voordat ik de gravelpaden verwens. In de afgelopen dagen is er zoveel water gevallen dat ik op delen van het pad elke tien meter door grote plassen fiets. Soms kan ik er via de berm omheen, meestal niet. Op stukken waar weinig gravel en meer zand ligt is de grond zo verzadigd van water dat ik de banden voel zuigen en ik door drijfzand fiets. M’n onderbenen, schoenen en fiets zitten onder. Plas, na plas, na plas. En dan weer een. Van onbekommerd door de natuur fietsen komt niets, het pad vraagt al m’n aandacht.

Overzichtelijk

‘Weet je’, pep ik mezelf op, ‘vanmorgen ging ik nog uit van een dag waarin ik grotendeels door de regen zou fietsen, nu fiets ik hier in een T-shirt en in de zon. M’n fiets houdt zich goed, de nieuwe banden maken een verschil (klinkers voel ik bijvoorbeeld nog wel, maar het dendert niet meer). De kop is eraf en ik hervind de routine.’ Op m’n Garmin zie ik dat ik op de helft ben en er vandaag nog maar 55 hoef. Overzichtelijk, op de tocht naar de Middellandse Zee zou ik er nog 95 moeten.

Vanuit het niets barst een korte hevige bui los (regenjas aan), een minuut daarna is de lucht weer blauw (regenjas uit) en doemt de volgende donkergrijze wolk op. De plassen blijven maar komen, de ketting kraakt van alle zand. De rek die ik dacht te hebben blijkt weinig voor te stellen, de moeheid is niet na één nacht goed slapen verdwenen. Ik kan daar het pad de schuld van geven, maar ik ben het vooral zelf. Misschien wordt het beter. De regen begint weer.

fietspad N271

Langs de N271.

Goede zet

Ik zie dat de route Well op een kilometer passeert en dat het eerstvolgende dorp, Straelen, pas 22 kilometer daarna komt. Dan is het vijf uur. Morgen wordt in Duitsland Sacramentsdag gevierd, een katholieke feestdag waarop in sommige deelstaten (zoals in Nordrhein-Westfalen, waar ik morgen ben) alle winkels dicht zijn, misschien sluit op de vooravond alles eerder. Op Google zie ik dat er in Well een bakker is, ik verlaat de route en zit niet lang daarna op het terras van bakkerij Smits een broodje te eten en koffie te drinken. Met m’n bidon spuit ik ketting en loopwerk schoon, tank water in het toilet en koop een zak rozijnenbollen en twee enorme bokkenpoten.

De stop is precies wat ik nodig heb. De ketting kraakt niet meer, fietstas zit nog voller met eten en ik kan hier droog een plan maken. Van die twintig kilometer gravel en opspattend zand ben ik niet gelukkig geworden. Het brengt me niets, dus moest ik daar maar ‘ns mee stoppen. Op de kaart is het alternatief meteen duidelijk, ik ga het fietspad langs de N271 op.

In eigen handen

Al is ook de oorspronkelijke route die van mij, toch voelt het alsof ik het roer in eigen handen neem. Dat voelt goed. Op tochten volg ik strak m’n eigen plan en wijk alleen af als het niet anders kan (zoals toen de overstroomde Thur de Rome-route onder water had gezet). Als de klim bruut is of het weer slecht, blijf ik fietsen. Dat zijn de momenten waarop m’n veerkracht op de proef wordt gesteld, momenten die me iets brengen als ik ze overwin. Want bij een volgende klim of een volgende bui haal ik m’n schouders op: ‘ken ik, kan ik en gaat weer voorbij’. Dan wantrouw ik gemak, dat me te weinig brengt. Op de tocht naar Stavanger heb ik dat vasthouden-aan voor het eerst genuanceerd, door een tijdvretende Waldweg te verruilen voor een opschiet-fietspad. Dergelijke Waldwege had ik in de uren daarvoor al overwonnen, doorgaan zou me niets anders opleveren dan meer van hetzelfde en ’s avonds later aankomen op de beoogde slaapplek. Het voelde als een overwinning om die beslissing te nemen, ik heb er geen seconde spijt van gehad. Want ook ongemak, met alles wat het me brengt, moet ergens over blijven gaan. De keuze voor het fietspad langs de N271 voelt net zo goed. Meer watergravel had me niets gebracht, ik heb het lang genoeg de kans gegeven.

Nog nooit was een provinciale weg zo aangenaam. Toen ik hier eerder fietste vond ik het te smalle fietspad langs een drukke weg een vergissing. Vandaag is het heerlijk. Het is niet erg druk, het pad is droog, de zon schijnt door de kruinen en ik schiet goed op. Goede beslissing.

Mühle am Gieselberg Straelen

Mühle am Gieselberg, Straelen.

Vrijheid

Ter hoogte van Arcen ga ik op de rotonde links, kom na anderhalve kilometer m’n route weer tegen en rijd die voorbij om een nieuw stuk gravel te vermijden. Over een fietspad langs de Lingsforterweg rijd ik naar de grens, waar ik een supermarkt tegenkom. Een grenssupermarkt waarvan het assortiment vertelt wat in het ene land duurder is dan in het andere. Zoals een hele wand met klein- en grootverpakkingen koffie. “Als Nederlander realiseer je je niet dat koffie zoveel duurder is in Duitsland” zeg ik, om contact verlegen, bij het afrekenen tegen de supermarktmeneer. “Klopt, maar in Nederland is bier bijvoorbeeld veel duurder”. Hij schuift een gordijn weg, waarachter een voorraad tabak tevoorschijn komt, “of shag om zelf sigaretten van te maken”.

kerk Straelen

Straelen.

Ik heb zowaar een pot Barilla pastasaus gevonden die vanavond over de tortellini kan. En een zak zoute drop waar ik ineens veel zin in heb. Plakjes belegen kaas voor op de rozijnenbollen. Nu heb ik écht veel eten, genoeg om vanavond en de hele dag van morgen – als alles dicht is – door te komen. Het geeft een gevoel van vrijheid, ik ben van niemand meer afhankelijk. Als ik dadelijk ook nog m’n anderhalve-literfles vul kan ik straks gaan staan waar ik wil.

Anders?

Ik ga voor de derde keer de grens over, dit keer voor de komende twaalf dagen. Fietsend langs de Arcener Straße voel ik het rechterpedaal knersen en moeilijker rondgaan. Ik stop, kijk en voel. Geen speling, geen bruin water, lager lijkt in orde. Maar het ronddraaien stokt. Dat zou voor het eerst zijn bij deze MKS pedalen, die legendarisch licht lopen en vrijwel onverwoestbaar zijn. In m’n optimistische, maar moeë en niet zo rekbare hoofd is dit een tegenslag uit het niets, op een dag die toch al niet vanzelf gaat. Ik dwing m’n verstand de regie te nemen. Wat is er nu anders dan anders? De halve kuub nat zand die m’n fiets te verwerken heeft gehad. Er moet toch ergens zand in het – afgedichte – lager zijn gekomen. Misschien alleen aan de rand ervan. Ik spoel er water overheen, veeg het droog en schoon. Fiets verder en na een paar minuten draait alles weer soepel. Niets meer aan de hand. Bazuinen. Ik kan dit.

fietsen Wachtendonk

Tussen Straelen en Wachtendonk.

fietspad Niers Wachtendonk

Langs de Niers tussen Wachtendonk en Kempen (videobeeld).

Zoveel

Straelen is in orde, meer hoeft niet, de zin in het fietsen is er. Via Wachtendonk, met kasseien en de fundamenten van Burg Wachtendonk, fiets ik naar Kempen, over platteland waarvan elke kilometer anders is. Akkers, landwegen en gravelpaden, lanen, riviertjes en boerenhoven. Het waait, het is droog en met een graad of 18 heel aangenaam. Een T-shirt kan precies. Het smalle gravelpad langs de Niers staat deels onder water, de kleine rivier heeft zich niet aan haar oevers gehouden. Het deert niet, er is zoveel te zien, zoveel groen in zoveel voorjaarslicht. In de verte doemen donkergrijze wolken, ik zie er duidelijk de omtrekken van, het is een bui, iets dat drijft en niet blijft hangen. Het wordt zes uur, ik passeer de 95 en ben een tevreden fietser.

Afgewend

In Kempen fiets ik onder een stadspoort door, over kasseien door een klein-en-fijn centrum. Daarna is Krefeld nog maar tien kilometer. Onderweg onderzoek ik de kleine stukken bos die ik thuis op de kaart gezien heb, maar het blijken stuk voor stuk geen plekken waar ik me kan verstoppen voor de nacht. Bij de Sankt Dionysius stopt na 114 kilometer de track van vandaag. Ik start de track van morgen en fiets verder. In een buitenwijk komt een auto me tegemoet, die de ruimte in de smalle straat met geparkeerde auto’s volledig vult. Hij of zij kan me, 185 cm man op rode fiets met rode achtertassen, niet gemist hebben maar rijdt niettemin door. Om niet onder de wielen te komen gooi ik het stuur om naar rechts, zie de stoeprand, weet direct dat die te hoog is, rem en stap terwijl ik crash van de pedalen. Daardoor blijf ik overeind en klapt ook m’n fiets niet tegen de grond. Ik constateer, beheerst en feitelijk, dat er geen schade aan been of rijwiel is. Net zo feitelijk stel ik vast dat de bestuurder het risico heeft genomen een fietser dood te rijden wanneer die fietser niet met een net zo uitzonderlijke als geslaagde manoeuvre die dood had afgewend.

Sankt Dionysius Krefeld

Sankt Dionysius, Krefeld.

Wordt niks

Een stop, een raampje naar beneden, een “verzeihung”, het had het allemaal goedgemaakt. Mensen maken fouten. Maar de auto rijdt door. In plaats daarvan denk ik na over wat ik misschien met de bestuurder zou doen. De onverschilligheid waarmee hij/zij doorreed beantwoorden met een net zo onbewogen blik als hij/zij me in doodsangst aankijkt wanneer ik m’n, ehm, fietspomp hef? Tentstokken dan? Nee, wordt niks. In een vlaag van volwassenheid bedenk ik dat ik daar zelf alleen maar ongelukkiger van zou worden. Bij een tegenslag – denk ik nog maar eens – blijft niet de gebeurtenis zelf in m’n gedachten achter, maar hoe ik ermee ben omgegaan. Ik check m’n broek en fiets, haal ‘ns diep adem en fiets door. Spreek het in op m’n telefoon en ben het kwijt. Maar lieve hemel, wat haat ik wat auto’s met de openbare ruimte en de beleving ervan doen. Ze verzieken zoveel.

Ongeschonden

Wijken en huizen verdwijnen, m’n route slingert zich om de gracht van een burcht heen, waarvan ik in het echt pas zie hoe mooi die in het landschap ligt. Waterburcht Linn is van rond 1190 en bleef in WO II wonderwel ongeschonden. Op het terrein van de burcht wordt ieder jaar met Pinksteren een middeleeuwse vlasmarkt gehouden, de grootste van Duitsland.

Burg Linn Krefeld

Burg Linn.

Grijs wordt groen

De groene weiden gaan over in een industrieterrein met binnenhaven. Containers, roestend staal, vage stukjes met troep en rotzooi, smeer en vet. Ik sla rechtsaf en fiets langs de rivier waarvan ik de prille bovenloop tegenkwam op weg naar Rome. Domat/Ems, de Polenweg en het dal met Thusis op de zuidpunt. De bedrijven houden op, het grijs van de prefab schoenendozen wordt het groen van grasland en uiterwaard. Weg wordt fietspad, de zon zakt, het zonlicht scheert.

Ik heb m’n hoop gesteld op de donkergroene kaartstukken langs het fietspad. Misschien is een daarvan een verdwijnbos. Op gezette afstanden kom ik een bankje tegen, dicht tegen het fietspad aan en omgeven door gras van een halve meter hoog. Ik zou hier veel te open en bloot staan. De groene stukken zijn inderdaad kleine bossen, maar reiken nergens tot aan het fietspad, ik zou vijftig meter hoog gras en drasland moeten oversteken, tussen de bomen zie ik bovendien nergens ruimte voor een tent. Ik ga de 125 voorbij, de zon nadert de horizon. Ik moet iets, maar vind het hier niet. Plan B is dat ik een boer vraag om op z’n land te mogen staan, maar om me heen kijkend zie ik alleen gras en de dijk, met daarachter het trage water van de Rijn. En, in de uiterwaard tussen dijk en rivier, witte rechthoekige vlakken. Zijn dat bovenkanten van caravans en campers? Ja, dat zijn het. Het zal toch niet? Ik fiets door tot waar een veerpont aanlegt die overdag de Rijn oversteekt, sla een modderweg naar links in en sta om tien over negen bij de ingang van Rheincamping Meerbusch.

Rheincamping Meerbusch fiets

Alles is goedgekomen.

Akkoord

De beheerder komt naar me toe. Hij staat op het punt naar huis te gaan, inschrijven en betalen komt morgen wel, de receptie is vanaf half negen open. Hij vraagt m’n paspoort als onderpand. Daar ga ik normaal gesproken niet in mee, maar ik verlang naar een plek. Ik vertrouw ‘m, voor wat dat waard is, en zie dat hij het gebouw secuur op slot doet. Met de grens zo dichtbij en een beheerder die niets wint met het verdwijnen van een paspoort schat ik het risico niet hoog in. Ik ga akkoord, mag staan waar ik wil en prik vijf minuten later de eerste haring in de grond. Om me heen staan andere fietsers, de zomeravond is mild. Alles is goed.

Thuis

De fietser naast me woont in Meinerzhagen, in het Sauerland. Daar is hij vanochtend vertrokken, daar ga ik morgen heen. We praten, ik voel me thuis en installeer me met voedsel en kookspullen op de trap van een klein houten keukengebouw, dat me doet denken aan de kök (‘sjuk’) op Zweedse campings. Ik zet water op voor de tortellini en bel Elsbeth. Fijn om haar stem te horen. Het water kookt, ik doe de tortellini erin, breng alles weer aan de kook en doe de brander uit. Beproefde truc. Pasta hoeft na het koken alleen maar te wellen, dat kan ook zonder dat ik 12 minuten aan gas verbruik.

Rheincamping Meerbusch

De kök.

Prima dag

In het laatste licht geniet ik van de avond en de plek. De camping staat aardig vol, er is volk zonder dat het als drukte voelt. Heerlijk om niet alleen te zijn. Wild kamperen is avontuur, maar ook elke dag de spanning van kan ik een slaapplek vinden. Vandaag is dat meer dan goedgekomen. Een prima dag, na de grijsheid en het vele water van vanmorgen. Er is – denk ik – opspattend zand in de scharnierpunten van de achterderailleur gekomen, waardoor die niet goed op de shifter reageert. Morgen goed afspoelen en opnieuw smeren.

De Rijn stroomt traag voor de camping langs, aan de overkant ligt het vliegveld van Düsseldorf. Regelmatig stijgt er een toestel op, de strobes flitsen groen en rood in het vallende duister. Een enkel vrachtschip vaart zachtjes ronkend voorbij, even later een lang plat schip waarop mensen een riviercruise maken. De lichtjes twinkelen.

Morgen is de receptie om half negen open, ik kan uitslapen en het vanavond wat later maken. Er is ruimte voor een late start, vandaag heb met 130 kilometer een stuk van de track van morgen gefietst, het zijn er minder dan honderd naar Meinerzhagen. Maar dat is morgen. Eens kijken waar ik die wijn gelaten heb.

Dag 3: Langst-Kierst – Düsseldorf

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.