Laat voor het eten

Niet alle dolers zijn de weg kwijt

Naar Stavanger | Dag 22

Ontbijt Hovden fjellstoge

Ontbijt.

Foto hierboven: Haukeliseter fjellstue aan de E134.

’s Nachts om half drie word ik wakker. Licht aandoen haalt me uit m’n halfslaap, in het donker vind ik de w.c. In het eerste jaar van de KMA lag ik met acht man op een kamer, ik heb toen geleerd om – als ik laat uit de stad kwam en de rest al lag te slapen – alles in het donker te doen.
Toen ik gisteravond naar bed ging was het meer dan twintig graden in de kamer, ik ben gaan liggen met niets op me, bewegingsloos omdat het zweet me anders uitbrak. Nu, midden in de nacht, is het eindelijk afgekoeld en trek ik het dekbed over me heen.

Bij het opstaan zit er een kleine knoop in m’n maag. Vanuit dit warme, veilige hol ga ik weer naar buiten, de sneeuw en het ongewisse in. Hoe hard regent het. Is de weg glad. Hoe veilig is de afdaling in de route. Hoe druk is de E134, hoe zit het met de Haukelitunnel. En, ver in m’n achterhoofd, hoe moet het straks met de trein door Duitsland.

Ontbijt

Beneden in het restaurant staat het ontbijt klaar. De vrouw bakt twee eieren met bacon voor me, we praten. Het haardvuur brandt, ik kijk naar buiten waar aan de horizon de sneeuw overgaat in grijze lucht. Het heet hier berghut, het voelt als berghut, deze overnachting was elke euro waard. Ik check uit, draag m’n spullen naar buiten en haal de fiets uit de vergaderruimte.

Hovden fjellstoge

Lichte sneeuw.

Licht genoeg

Ik veeg met m’n schoenzolen over het natte asfalt, dat gelukkig stroef is. Er vallen dunne sneeuwvlokjes, boven in de lucht is het kennelijk kouder dan hier beneden, waar het een milde vijf graden is. Het betekent dat de sneeuw niet aanvriest, ik kan veilig de weg op. Wat er valt is bovendien licht genoeg om regenbroek en overschoenen in de tas te laten, opgeteld valt alles mee. De helderheid van gisteren is verdwenen, in de verte wordt de lucht ondoorzichtig. Ik doe een reflecterende gordel om en m’n licht aan. Zeg de vrouw gedag, maak in gedachten een foto van haar en begin om kwart voor negen aan de rit van zondag 23 april. De een-na-laatste dag.

Doodstil

Langs de weg markeren metalen palen de grens tussen weg en berm, zodat schuivers weten waar ze moeten mikken in een pas gevallen sneeuwdeken. Mestgeur verraadt de functie van de laatste gebouwen, in het wegdek zitten diepe putten waar gevallen stukken rots het asfalt beschadigd hebben.

Ik fiets een doodstil sneeuwlandschap binnen. De weinige geluiden die er zijn, het slissen van de banden op de natte weg en de ragfijne spetters op m’n jas, worden gedempt door de sneeuw. Om de heuvels hangt nevel, om me heen golft het witte land tot waar het verdwijnt in spichtige takken die de lucht aderen. Nu en dan passeer ik een auto die langs de kant van de weg geparkeerd staat, iemand haalt langlaufski’s uit z’n auto om aan een tocht te beginnen. In een uur tijd passeren me vijf auto’s en komen er acht me tegemoet. Licht golvend stijgt de hoogvlakte naar 920 meter. Als over een maand de sneeuw verdwenen is, fiets je hier door een lichtgroene dwergberk-toendra. Wat is dit speciaal.

hoogvlakte tussen Hovden en Haukeli

Hoogvlakte tussen Hovden en Haukeli.

hoogvlakte tussen Hovden en Haukeli

Afdaling naar Haukeli

Afdaling naar Haukeli.

Niet rustig

Na ruim twintig kilometer begint een lange afdaling naar het dal waar de E134 en de Kjela doorheen lopen, een afdaling waar ik niet naar uitgekeken heb. Driehonderd meter naar beneden, over een natte weg die misschien bevroren is, met remblokken waarvan ik niet weet hoeveel ze ervan slijten. Zoveel profiel hebben ze niet meer en ik heb vreemd genoeg geen nieuwe bij me. Tot in de wijde omtrek hebben ze alleen verstand van Volvo’s en sneeuwscooters, dus vandaag en morgen moet ik het ermee doen. Er komen nog meer afdalingen, er komt meer regen. Ik word er niet rustig van.

Messcherp

De weg doet wat de kaart beloofd heeft en valt met twaalf procent naar beneden, langs rotsige bermen en groezelige sneeuwmuurtjes. In de bochten ligt gruis, het asfalt is nat, ik schraap voor de zekerheid met m’n schoen over het wegdek, dat nog steeds stroef is. Delen van de weg zijn in dunne mist gehuld, de haarspelden jagen m’n fiets op, ik moet remmen, remmen en remmen om er veilig genoeg doorheen te gaan. Fuck de remblokjes, het alternatief is dat ik eenparig rechtlijnig versneld de bocht uit ga, rechtdoor het bos in en de helling af, om pas na weken te worden gevonden. Levend beneden komen is voor iedereen de beste oplossing. Elke spier in m’n lijf is gespannen, elk zintuig messcherp als ik de bochten neem, met ijskoude wind die langs m’n helm giert, met de nevel die een waterfilm op m’n jas legt.

Veroordeeld

Beneden, op 589 meter, bereik ik Haukeli en de Haukelivei (Haukeliveg in het Nynorsk). Deze Europese weg 134 is een belangrijke west-oostverbinding tussen de Noorse westkust bij Haugesund en het stedelijk gebied rond Oslo. Door het belang van de weg wordt die in de winter sneeuwvrij gehouden, in tegenstelling tot de kleinere wegen richting de kust. Dat is, ontdekte ik thuis bij het uitzetten van de route, waarom ik min of meer tot de E134 veroordeeld ben. Het enige alternatief is de kustweg die de zuidkant van Noorwegen rondt. Een route zonder hoogvlaktes, sneeuw, Kanalruta of Setesdal. Een route, anders gezegd, met minder natuur en met veel minder avontuur. De Haukelivei steekt de Hardangervidda over en gaat tussen Haukeli (spreek uit Huik’lie) en Røldal door Haukelifjell, een berggebied met een aantal tunnels en het hoogste punt, de pas op 1085 meter. Dat deel van de weg fiets ik vandaag.

Joker Haukeli

Pauze in Haukeli.

Ik leef

Op de T-splitsing met de E134, onderaan de afdaling, krijgen m’n koud geworden remhanden eindelijk rust. De remblokken hebben nog genoeg over. Opluchting.

Ik voel dat ik leef. Dat is niet alleen een feitelijke constatering omdat ik heelhuids beneden ben gekomen, het is de gewaarwording dat dit is waar ik voor kom. Dat gevoel wordt sterker als ik aan de overkant van de weg een Joker ontdek. Er brandt licht in de kleine supermarkt, hij is zowaar open en, lees ik op het bord, ze verkopen er koffie voor 25 kronen. Even later zit ik buiten op een bank die koffie te drinken. Met een enorme glimlach op m’n gezicht.
Ik heb zicht op de weg, waarop in tien minuten een enkele auto voorbijkomt. Ik hoed me voor een te snelle conclusie over de drukte op de weg, het is zondagmorgen, een dag die voor velen later begint, de drukte komt misschien nog.

Tegen elf uur ben ik klaar voor de 55 kilometer op de E134. De sneeuwregen is opgehouden, ik vervang de regenjas door m’n Haglöfs softshell. Doe het extra rode knipper-achterlicht aan, stel de reflecterende gordel af, check m’n verlichting en ga de weg op.

Balans

Het is een gok, ik vind het spannend. Een E-weg die zo belangrijk is dat hij in de winter wordt geschoven is in alles het tegengestelde van de kleine, rustige wegen die ik heb liefgekregen. En toch fiets ik hier.

Het is niet alleen omdat er weinig alternatieven zijn, het is ook de weg zelf. Toen ik foto’s zag van het desolate berglandschap waar de Haukelivei doorheen loopt wilde ik daar fietsen. Toen ik een video zag van de weg in hartje winter, als auto’s er alleen in colonne achter de sneeuwschuiver overheen kunnen, wilde ik dat meemaken. Hartje winter zat er niet in, een sneeuwlandschap misschien wel. Hier fietsen is een afweging waarvan ik nog niet weet hoe de balans uitvalt, de afweging tussen avontuur en gevaar. Ik kan die inschatting thuis maken, maar alleen door het te doen kan ik werkelijk oordelen. Ik heb met mezelf afgesproken dat als het onveilig voelt ik niet aarzel en ga liften.

Haukelivei E134

Het begin is goed (videobeeld).

Ruim genoeg

Al snel merk ik dat er weinig verkeer is en dat de auto’s die me passeren dat met een ruime boog doen, ruim genoeg om me veilig te voelen. Na verloop van tijd begin ik te ontspannen. De weg gaat geleidelijk omhoog, zonder heftige klimmen en zonder afdalingen waarop ik gemaakte hoogtemeters weer verlies. Van het klimmen merk ik niet al te veel, voordat ik het weet zit ik weer op 800 meter.

Naarmate ik hoger kom kruipt de sneeuw dichter naar de rand van de weg. De bomen verdwijnen, de wereld wordt volledig wit, een uitgestrekt winterland waar bergtoppen en grijze rotsen bovenuit steken.

Vågslidtunnel op de E134

Vågslidtunnel, oostelijke tunnelmond.

Andere wereld

M’n aandacht, die eerst alleen bij de weg was, vloeit uit naar het landschap. Hier regeert, ook in de laatste week van april, de sneeuw. Wat in de zomer een verscheidenheid van toendra, struiken, meren en rotsen is, is nu een aaneengesloten witte laag waarvan ik niet weet wat eronder zit. Struiken prikken er doorheen, looppaden zijn vrijgemaakt, auto’s rijden met spijkerbanden. Een andere wereld dan beneden, waar je de dennenhars ruikt en de bruin-met-groene bossen het uitzicht kleuren.

Ik ben zo bezig met alles wat er om me heen gebeurt dat ik maar doorga. ‘Je móet even stoppen’ roep ik mezelf tot de orde. Hier fietsen vergt, ondanks dat het verkeer meevalt, al m’n concentratie. Ik heb een tijd niets meer gegeten, als ik door blijf gaan is dadelijk de brandstof op en de scherpte weg. Dat is een risico, van het soort dat ik zelf in de hand heb. Bij een groot houten gebouw met grasdak houd ik een eetpauze.

Monster

De weg en ik klimmen verder. De weg blijft zwart, de weg blijft droog. Geen ijs en geen gladheid. Na 21 kilometer vanaf Haukeli sta ik voor de eerste tunnel, de Vågslidtunnel van 1647 meter, op 1000 meter hoogte. Ik stop, doe een schietgebedje, check nog ‘ns of alles schijnt en knippert en fiets de tunnel in. Die gaat – ontdek ik – omhoog, op het kleinste blad ga ik verder, tussen rotswand en ribbelstreep. Als een auto me van achteren nadert klinkt dat alsof een asfaltvermalend en fietsersverslindend monster me achtervolgt. Een ongelooflijke teringherrie. Maar de auto’s gedragen zich niet monsterlijk en rijden goed om me heen. Iets van de spanning verlaat me, ‘dit is te doen’ denk ik, al ben ik zielsblij dat ik het einde heb bereikt en het licht in fiets. Het was een try-out, die geslaagd is.

Vågslidtunnel fietsen

Een goed verlichte klankkast (videobeeld).

Vågslidtunnel fiets

Aan de westkant van de tunnel.

In één woord

Aan de andere kant van de tunnel sneeuwt het licht, het zonlicht dat door de wolken valt laat het natte wegdek uitdampen. Ik zie bijna niets meer, door de watermist en de sneeuw die in m’n ogen komt. Elke kilometer van deze weg is anders, de sneeuwdeken lijkt hier nog witter en dichter, de bergen nog hoger en zwarter. Hier te zijn is, in één woord, fantastisch.

Het sneeuwen houdt op, links van de weg zie ik een houten poort boven een zijweg die naar een groep gebouwen leidt. Op een van de steunen staat ‘Bakeri’. Dat is, zelfs al zou ik niets van talen begrijpen, het magische woord voor een fietser die na tientallen kilometers winterland even de binnenwarmte zoekt. Al lijkt het van een afstand meer een onderzoeksstation op de Zuidpool dat jaren geleden is verlaten en waar behalve een verdwaalde pinguïn geen levend wezen meer te vinden is.

Haukeliseter fjellstue fietsen

Haukeliseter fjellstue.

Haukeliseter fjellstue

Warmte.

Wonderschoon

Ik zet m’n fiets naast een van de gebouwen van de Haukeliseter fjellstue, een berghut van de DNT, de Noorse wandel- en bergsportvereniging. Binnen is het thuis. Warm, geroezemoes, fijn. Ik neem een beker koffie, zet m’n helm af, hang een paar lagen over een stoel en ga zitten. Ik kijk naar buiten, waar tegen een achtergrond van bergen mensen langlaufen en stampend hun schoenen sneeuwvrij maken.

Ik koop een sticker van de hut om later op m’n fiets te plakken. Deze plek staat symbool voor vandaag, voor de hoge weg waarnaar ik heb uitgekeken en die nog mooier is dan waarop ik hoopte. Naar buiten gaan kost me geen moeite. Het lijkt hier nog hoger, nog leger en nog verder weg van alles wat hiervoor kwam. In de verte ligt een laag nevel over de donkere bergen. Het zonlicht valt in banen tussen de wolken door, blauwe lucht wisselt af met vegen grijs. Het is wonderschoon.

Haukeliseter fjellstue fietsen

Wit en grijs, licht en donker.

Tunnelmond Haukelitunnel

In de verte de Haukelitunnel, daar rechts van is de oude weg te zien.

Niet te vrezen

Met de zon stijgt de temperatuur, ik kan zonder handschoenen rijden. Doordat het niet onder nul komt zijn regen en sneeuw niet aangevroren, het is nergens glad. Verkeer blijft een factor, maar voor de weg zelf hoef ik niet te vrezen.

Na zeven kilometer nader ik wat ik vandaag zeker wel vrees: de 5680 meter lange Haukelitunnel. Of je er als fietser doorheen mag kon ik op Noorse websites niet vinden, wat ik wel vond wijst richting een verbod. Waarschijnlijk omdat er – anders dan bij de Vågslidtunnel, waar je als fietser doorheen mag – een alternatief is: de gamle (oude) Haukelivei, het tracé van de E134 van vóór de aanleg van de tunnel. Die weg neemt de pas waar de tunnel onderdoor loopt. Waar het op hangt, is dat ik niet weet of de oude weg sneeuwvrij wordt gehouden.

Haukelitunnel fietsen

Splitsing van de nieuwe (rechts, richting de tunnel) en oude Haukelivei. Je kijkt naar waar ik vandaan kom.

Gamle Haukelivei fiets

Sneeuwloopgraaf van de oude Haukelivei.

Wat een geluk

Terwijl ik de tunnel nader zie ik rechts daarvan een zwarte streep omhoog lopen. Dichterbij gekomen blijkt het de oude weg te zijn die de tunnel vermijdt en die geschoven is! Wat een geluk, m’n gebeden zijn verhoord. Het betekent dat ik niet door de tunnel hoef en gewoon kan blijven fietsen. Ik moet wel een pasje over, maar fuck it, alles beter dan de Haukelitunnel. Er valt iets groots van me af, hier heb ik me echt zorgen over gemaakt. Het is zondag, ik bel Elsbeth om het te vertellen.

Verwachtingsvol begin ik te fietsen. Er liggen plassen en stukken ijs op de weg, ik rijd als in een brede loopgraaf door metersdikke sneeuw. Een snelle risicoanalyse registreert dat als zo’n sneeuwwand instort, ik dat niet automatisch overleef. Dat moet dus maar niet gebeuren. Na twee kilometer verdwijnt de weg in een sneeuwmuur. De schuiver is hier gestopt. De sneeuw ligt veel te hoog om te klunen, ik kan maar één ding doen: omkeren en terugfietsen. Poep. Tijd voor plan B.

Oude Haukelivei fietsen

Tijd voor plan B.

Niet doen

Terug bij de tunnel lijk ik het bord ‘verboden voor fietsers en voetgangers’ pas voor het eerst te zien. Ik heb geen moeite met stoute fietser zijn (onder voorwaarde dat niemand daar last van heeft), maar de afweging gaat niet over wel of niet de regels volgen, die gaat over m’n veiligheid. Aan de vrachtwagens die de tunnel uit komen zie ik hoe smal die is. Ze vullen een groot deel van de tunnelopening, als twee vrachtwagens elkaar moeten passeren is er zo goed als geen ruimte over voor een fietser. Ik weet het meteen, ik ga er niet doorheen, ik ga het NIET doen. Behalve het objectieve gevaar dat ik kan worden aangereden, is de stress op 5,7 kilometer gewoon te groot. Er zit niets anders op dan te liften. Ik weet niet hoe kansrijk dat hier is, ik ga het in elk geval proberen.

Haukelitunnel fiets

Daar ga ik niet doorheen.

Ik zet m’n fiets goed zichtbaar neer aan het begin van de afslag en ga er een paar meter vóór staan. Ik scan de auto’s die me passeren, bij de grote exemplaren en bestelbussen hef ik m’n handen alsof ik een groot dienblad draag: ‘help, ik kan niet verder’. Zoveel kansrijke auto’s komen niet voorbij, toch duurt het maar twintig minuten voordat een grote, witte bestelbus in de remmen gaat. De auto erachter ontdekt dat net op tijd. Ik leg de situatie uit, “ja hoor, ik kan je wel meenemen”. Hij stapt uit, opent de achterdeuren en helpt me m’n fiets tussen stapels kratten en dozen te schuiven. Het kan net, maar ‘net’ is goed genoeg. Hij sluit de deuren, ik ga naast ‘m zitten en we rijden de tunnel in. Daar is het glashelder dat ik de juiste beslissing heb genomen, vrachtwagens kunnen elkaar maar net passeren. ‘Net’ is hier niet goed genoeg.

Geholpen

“Tot waar wil je dat ik je meeneem?” vraagt de man achter het stuur. “Tot voorbij de tunnel, op een plaats waar het voor jou veilig is om de weg af te gaan. Safety first“. Die plaats dient zich niet meteen aan, ondertussen passeren we een overkapping en een kleine tunnel die ik beide op de kaart gezien heb. Waar de afdaling begint vindt hij een parkeerplaats. “Ik moet blijven zitten” zegt hij, “de handrem doet het niet zo goed”. Het lukt me om de fiets er in m’n eentje uit te frotten, ik doe de deuren goed dicht en bedank de man. Helemaal geholpen en helemaal blij.

Ik laad de track en herstart de opname, die ik had gestopt zodat de gps de lift-kilometers niet als fietskilometers rekent. Dalend en haarspeldend fiets ik de laatste negen kilometer tot Røldal, op – heb ik zoveel hoogte verloren? – 400 meter. Als Garmin zegt dat ik de track kwijt ben ontdek ik dat ik de afslag naar een kleine weg volledig heb gemist. Daardoor ben ik door een hoefijzer-tunnel (de Austmannalitunnel, 900 meter) gefietst waar ik als fietser niet doorheen mag. De kleine weg zal vol sneeuw gelegen hebben en onzichtbaar zijn gebleven. Wat kan het schelen, ik zit weer op de track en de tunnel was niet lang.

Røldal

Røldal.

Camping Røldal

Tentplek, kookplek, fietsplek.

Toneel

In Røldal fiets ik door naar de camping aan de rand van het dorp. Het is tien over vijf, ik heb er vandaag een bescheiden 72 gedaan, met een voor Noorwegen bescheiden 920 hoogtemeters. Er is niemand, maar op het sanitairgebouw hangt een telefoonnummer, waar ik na twee keer bellen geen gehoor krijg. Ik zet m’n tent op, richt die in, zet m’n fiets onder het afdak en wil gaan koken. Ik heb nog maar weinig water, er ligt een waterslang maar daar komt niets uit. Tijd voor toneel. Ik pak m’n pannen en loop quasi-toevallig naar een Britse camper, ondertussen zo hulpeloos mogelijk kijkend. Die camper stond er al, die heeft vast hetzelfde probleem – en misschien de oplossing.

De vrouw in de camper ziet me aankomen, stapt uit en zegt “voor water heb je een token (muntje) nodig, die hebben we niet”. Op internet heeft ze reviews gelezen van mensen die hier hebben gekampeerd, niemand te pakken kregen en de volgende dag gewoon weer weggereden zijn. Zij en ik zijn dus niet de enigen, zelf staat ze hier ook in afwachting van wat er gaat gebeuren. “Maar als je water nodig hebt vul ik je pan wel, kom maar hier!” ze vult beide pannen en geeft ook nog een fles water mee. Erg aardig.

Røldal stavkyrkje

Røldal stavkyrkje.

Een ander Noorwegen

Ik kook de laatste Adventure Food maaltijd, die ik voor deze avond bewaard heb. Met soep, een Opkikker die al jaren in m’n tas zit. M’n telefoon trilt, een sms van het nummer van de camping. Met de toegangscode voor het sanitairgebouw en het wifi-password. Geen woord over dat (of hoe) ik moet betalen, ongelooflijk. ‘Takk!’ antwoord ik, met een duim omhoog. Ik denk aan de camping bij Horten, een eeuwigheid geleden, waar ik € 26,50 betaalde. Het klopt wat ik toen dacht, het Noorwegen van het kusttoerisme is een ander Noorwegen dan dat van de bergen.

Ik was hier vroeg, de avond is langer dan ik gewend ben. Ik zet m’n muts op en maak een kleine wandeling door het dorp. Loop langs de houten staafkerk (stavkyrkje) uit 1250 waar Røldal bekend om is. Voel me een klimmer na het bereiken van een top waar hij zich maanden op heeft voorbereid. Die top kostte minder moeite dan gedacht, het uitzicht was nog mooier dan gehoopt, hij is veilig beneden gekomen. Vandaag was een topdag.

Morgen gaat het regenen, zegt Yr. M’n fiets staat alvast droog onder een afdak. De laatste etappe van morgen is 73 kilometer, over een scenic road met 19 tunnels. Als ik op de kaart zie hoe de weg strak langs een aantal meren loopt heb ik er redelijke hoop op dat die niet al te veel golft en dat de hoogtemeters te overzien zijn. Maar dat is morgen, nu eerst slapen. Het gras waarop m’n tent staat is zompig van de smeltende sneeuw, de lange onderbroek hoeft niet aan, ik trek de rits dicht en ben weg.

Dag 23 | Røldal – Sand – Stavanger

Overzicht

Geef een reactie

Verplichte velden zijn aangegeven met een *.


Deze site gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie gegevens worden verwerkt.