Foto hierboven: Planken Wambuisweg bij Mossel.
Het is tien over half vijf op dinsdag 28 mei 2024 als Dirk de achterdeur opendoet. Ik wacht totdat hij z’n tas heeft neergezet en lees z’n gezicht voordat ik hem de vraag stel die ik de afgelopen twee weken steeds stelde. “Wat is het gevoel van de dag?” Hij heeft zojuist z’n laatste VWO-examen gedaan, Frans, ik zie optimisme in z’n ogen. Hij vond het een moeilijk examen, maar zegt dat hij een paar instinkers heeft ontmaskerd en dat het best oké ging. Ik geef hem een compliment voor hoe hard hij de afgelopen tijd gewerkt heeft. Dat heeft hij.
Afwachten
Het is klaar, nu is het afwachten. Hij is vooral benieuwd naar Engels. Dat moet goed gaan omdat wiskunde slecht ging. Het zijn beide kernvakken, hij heeft compensatiepunten van Engels nodig. Terugblikkend op de examens kwam hij alleen na wiskunde thuis met “op 12 juni geen goed nieuws…”. De rest van de examens ging goed of goed genoeg. Hij is inmiddels toegelaten tot Bouwkunde op de TU Delft (met een numerus fixus, hij is beoordeeld op een werkstuk), dus cijfers doen er niet meer toe, slagen is genoeg.
Met Dirk en mezelf heb ik afgesproken dat ik pas vertrek na zijn laatste examen en terug ben op het moment dat hij het telefoontje (geslaagd/gezakt) krijgt. Dat betekent dat ik 14 dagen en vanavond heb voor de 1646 kilometer die de route lang is. Dat is de deal die Verstand met Verteller, Ontdekker en Fietser heeft gesloten.
Ik geef Dirk en Sietse een knuffel, maak een foto van de fiets die klaarstaat, zwaai en fiets de oprit af. Ik heb er helemaal geen zin in.
Alles komt binnen
Op het fietspad kom ik in de spits terecht. Ik fiets hier nooit om kwart voor vijf, de drukte is ongelooflijk. Iedereen heeft haast, e-bikes, speed pedelecs, fatbikes, gewone fietsen, allemaal jakkeren ze. Overal is herrie, overal zijn auto’s, overal zijn mensen. Een pandemonium aan geluid en beweging. Meestal kan ik me terugtrekken achter een glasplaat waarop geluiden en indrukken geen houvast vinden en van me afglijden voordat ze tot me door kunnen dringen. Maar na een nacht van vier en een half uur slaap is die plaat er niet, alles komt binnen en schudt aan me.
Het begint te regenen. Ik fiets Amersfoort uit en laat goddank de drukte achter me. In Den Treek heerst rust, de regen is weg. Op de regenradar zie ik dat later op de avond een donkerblauwe vlek over Midden-Nederland trekt, er wacht me een flinke dosis water. Ik stop en trek regenbroek en overschoenen aan om straks niet met een zeiknatte onderhelft in Elst aan te komen. Vooruitdenken, handelen, oplossen. Goed gedaan.
Vol
In de rust overdenk ik de afgelopen dagen. Gisteren lag ik er om kwart over een in, vanmorgen ging om zes uur Elsbeth’s wekker. Ik zie haar veertien dagen niet, sta met haar op, zet haar fiets buiten, zwaai haar uit. Verder slapen lukt niet, dat lukt nooit, m’n hoofd zit vol met wat er moet.
Vandaag ben ik op de reserve-accu doorgekomen. Naar Jelle gefietst, de bouwer van Elsbeth’s fiets en op termijn ook die van mij, voor stuurlint. Dat was gesneuveld bij een onderhoudsbeurt van m’n Vittorio, afgelopen week, de grootste beurt ooit. Nieuwe ketting, cassette en middelste voorblad, allemaal versleten na 10.000 kilometer. Nieuwe remblokken en freewheel, nieuw vet en conussen van de achternaaf, nieuw vet overal. Op de Fietselfstedentocht, een week geleden, ontdekte ik na een apocalyptische regenbui dat er bruin water uit het bottombracket kwam. De lagers bleken verrot, ook die zijn vervangen.
Niet overhaast
Vrijdagmiddag word ik gebeld door Andras, de fietsenmaker die ik – met een garage vol fietsen en een wielrennende zoon – goed ken. Bij hem hebben we zowel de wegfiets als de veldrijfiets van Dirk gekocht. Die hadden we ook bij een fietsdiscounter kunnen kopen, maar als ik van een fietsenmaker een gunst wil kunnen vragen (een racefiets die ineens hapert op de dag vóór een belangrijke wedstrijd), moet ik ‘m ook iets gunnen. “Nu ik toch met je fiets bezig ben, die banden, hoe ver ga je fietsen?” “Ehm, 1600 kilometer, zoiets.” “Dan zou ik er toch andere banden op zetten, want in deze zitten zoveel beschadigingen en ingereden stukjes…” Die banden zijn, zie ik in de onderdelenlijst die ik bijhoud, 20.000 (voor) en 16.000 (achter) kilometer oud, een bandenwissel lijkt niet overhaast. Bovendien sta ik op het punt over te stappen op een ander type band. “Nou Andras, het toeval wil dat ik hier twee nieuwe banden heb liggen, dus als je die…” “Kom maar, zet ik ze erop”. Meteen een set nieuwe spatborden (de nieuwe banden zijn breder) meegenomen, “…zou je die ook nog…” “Dan duurt het wel langer, dan ga ik vanavond door en maak ik het zaterdagmorgen af”.
Als nieuw
Zaterdagmorgen haal ik m’n Vittorio op. Hij is zowaar helemaal gepoetst en blinkend, nergens een spatje modder. Als nieuw, ik blijf er nog wel even op fietsen, ik houd van deze fiets. Met de nieuwe ketting en cassette kan ik weer 10.000 kilometer vooruit, omgerekend een jaar en wat maanden. Voorlopig geen nieuwe fiets.
Tevreden
Voorbij het landhuis van Den Treek passeer ik de boom waaruit de buizerd opvloog toen ik jaren geleden op weg was naar Maastricht. Waar ik ook naartoe fiets, ik vertrek altijd bij de voordeur. Dit gebied zit daarom vol plekken waar ik op de eerste dag van een tocht langskwam. In die berm belde ik Elsbeth toen ik net naar Rome was vertrokken. Op die weg fietste ik in het halfdonker de eerste kilometers naar Parijs. Daar tekenden de bomen schaduwen op weg naar Berlijn.
Ik ben tevreden over de afgelopen dagen. Opdrachten afgerond, een vlaggenstokhouder aan de gevel geschroefd zodat als Dirk slaagt de vlag uit kan. Fietsersbond-dingen gedaan, vanmiddag het nieuwe stuurlint erop gezet. En een buisje op het stuur waar de bel en de houder voor de videocamera op kunnen. Alles past nu, alles is ingesteld, alles gelukt. Vanmorgen april afgerond van Vier seizoenen fietsen, met een bericht waarin ik dat en m’n vertrek meld.
Nog leuk
Ook in Woudenberg, dat – zonder de exacte statistieken te kennen – op plaats 347 moet staan in de rangorde van fietsgemeente van het jaar, is de spits aan de gang. Zelfs onder de mooiste voorjaarszon zou het hier krioelen van de auto’s. Op het fietspad door de weilanden voorbij Scherpenzeel, waar ik het land voor me alleen heb, doen de wolken hun best er zo dreigend mogelijk uit te zien. Het is etenstijd, de wegen en paden lopen leeg, net als op tochten in Frankrijk waar het na zes uur stil wordt op de weg. Misschien wordt het fietsen toch nog leuk.
Meeste plezier
Bij het naderen van Veenendaal fiets ik op een smal pad langs het spoor, steek dat spoor over en volg een gravelfietspad door de Grebbelinie. Het geknisper van het pad is muziek. Gravel betekent natuur, geen auto’s en weinig fietsers. Ik zoek het steeds vaker op, het is veel leuker fietsen dan auto-asfalt, voor een fractie meer inspanning. Om er het meeste plezier aan te beleven zijn de juiste banden een voorwaarde. Op die banden rijd ik nu, voor het eerst. Op de tocht naar Berlijn reed ik op Schwalbe Marathon Plus banden, met een stugge kunststof strip onder het loopvlak die zo goed als ondoordringbaar (anti-lek) is. Gevolg is wel dat de band alle soepelheid verliest en slecht vervormt bij steentjes en niet-zo-perfect asfalt. Rolweerstand gaat voor een groot deel over weerstand tegen vervormen (en veel minder over bandenspanning en de grootte van het contactvlak tussen band en weg), dus op een weg die niet biljartlaken-vlak is heeft zo’n band een veel grotere rolweerstand dan een soepeler band die zich gemakkelijker naar oneffenheden voegt. Op weg naar Berlijn heb ik dat geweten, ik heb het vele split en gravel op de route vervloekt in alle toonaarden omdat het mij en m’n fiets compleet door elkaar rammelde. Door de banden. M’n fietsenmaker hoefde ik niet te overtuigen toen ik voor andere banden koos. “Anti-lek is leuk” zei hij, “maar het rammelt alles kapot”.
Wat banden betreft is deze tocht een test. Ik rijd nu op Schwalbe Almotion banden, die veel soepeler en een tikje breder zijn. Met minder lekbescherming, daar krijg ik comfort en fietsplezier voor terug. Ik ben benieuwd, tot nu toe rolt het lekker. ‘Ik heb een zachte band’ denk ik soms, zo weinig hobbels voel ik, dat zegt iets. Ik rijd op een nieuwe fiets. Het is, realiseer ik me, niet ideaal dat de grote onderhoudsbeurt pas drie dagen geleden is, dat ik met banden, nieuwe en nieuw afgestelde onderdelen niet eerst een lange testrit heb gemaakt. Verre van ideaal, maar het is nu even zo.
Ertegenop
Dunne regen valt, de wolken doen geen loze dreigementen. Het groene landschap lijkt in rouw, als op een feest na een onverwacht telefoontje met slecht nieuws. Het rustige fietspad langs het spoor tussen Veenendaal en Ede komt langs voetbalvelden waar jeugd aan het trainen is. Hun stemmen en het plezier erin prikken door m’n schil van somberheid heen en tillen me op tot boven de grijsheid. In Ede eet ik in een fletse snackbar een frietje. De Ederheide breekt de horizon open, ik ben alleen. De zin in deze tocht moet nog komen. Ik zie ertegenop, dat is me niet eerder gebeurd.
Wat vóór me ligt leeft niet. Ik hoop dat het een andere tocht wordt dan die naar de Middellandse Zee, een avontuur waaraan ik terugdenk met trots en een glimlach op m’n gezicht. Het was ook een van de eenzaamste tochten die ik gefietst heb. Ik ben op veel momenten gelukkig geweest, vooral in de ochtenden, maar de eenzame avonden wil ik niet meer. De lange dagafstanden bleken niet de werkelijke uitdaging, het was het alleen zijn op de donkere avonden met gesloten campings. Genoeg avontuur, maar het aandeel fun had groter mogen zijn.
Vooruitzicht
Bij de voorbereiding van deze tocht heb ik gewaakt voor te lange dagafstanden, Verstand heeft daar stevige gesprekken over gehad met Fietser, Ontdekker en Verteller. Per dag fiets ik er gemiddeld 113, geen 148 zoals naar de Middellandse Zee. Het is ook minder dan de 115 kilometer die ik gemiddeld deed op weg naar Rome, toen ik – vergeleken met de tocht naar de Middellandse Zee – ’s avonds eerder en bij licht aankwam. Dat licht is er nu ook, dus dat gaat goed. Net als naar de Middellandse Zee weet ik niet waar ik slaap. Op de route heb ik nauwelijks campings gevonden, Duitsland is geen Frankrijk waar gemeentes ook een camping hebben als er geen water of bergen in de buurt zijn. Ik wil vooral kamperen en niet teveel hotels, dus sta ik misschien toch weer in m’n eentje in het bos. Dat vooruitzicht van me ontheemd voelen kleeft aan deze tocht, terwijl de regen weer begint. De dag vóór vertrek is zelden leuk, ik moet het gat in die muur vinden die tussen het vertrouwde leven thuis en het ongewisse van het nieuwe avontuur staat, maar eenmaal op de fiets verdampen alle zware gedachten. Nu verdampt er niets, ik word alleen maar natter.
Tekort
Bij Wolfheze maak ik de zwenk naar het oosten. Het begint te stortregenen, ik hoor de dikke druppels keihard op m’n capuchon vallen. De wereld wordt water. Er zitten kleine klimstukjes in de route, die in werkelijkheid totaal anders blijkt dan in m’n hoofd. M’n lijf voelt de korte nacht, moe en niet scherp. Ik denk ineens aan gebeurtenissen in m’n jeugd, aan een vakantie op een camping in de buurt van Zwolle, waar m’n moeder ziek werd. Op een avond speelden we verstoppertje, bij het wegrennen in het donker liep ik tegen een hoog hek met prikkeldraad aan dat om de camping stond. Ik had wondjes op m’n hele gezicht. Het zijn niet de schrik en de pijn die zijn blijven hangen, maar het schuldgevoel dat ik het m’n zieke moeder aandeed. Het kind dat zich tekort voelt schieten. Ik heb het moeilijk. Ik weet niet of ik de tocht ga afmaken, of ik niet morgen naar huis ga.
In Arnhem ebt de regen weg en neem ik het RijnWaalpad, de F325, naar het zuiden. Praat met een vrouw op de fiets, als lotgenoten in het takkeweer. Het beurt me op. Na negen kilometer verlaat ik het pad en sta stil om er een foto van te maken. Dit is een van de dingen die we als Fietsersbond hebben bereikt.
Niet in de verwachting
Om tien voor tien kom ik aan op De Grote Bredelaar. Het is zo goed als droog, ik zet m’n tent op in de Bongerd (boomgaard), op de plek waar ik drie jaar geleden stond op de tocht naar de Zuidpunt. Ik richt alles in en zet m’n fiets onder het afdak van de kapschuur, ik vertrouw het weer niet en wil niet dat m’n fiets vannacht zeiknat wordt. Het kabelslot blijft in de tas, dit is zo’n camping met alleen pensionado’s in grote campers en caravans. Die weten niet eens dat het afdak er is, middernachtelijk joyriden ligt niet in de verwachting. Ik vervang m’n fietsonderbroek voor een gewone onderbroek, verzorg m’n zitvlak en poets m’n tanden.
Ik zit in de tentopening. In de verte hoor ik de auto’s op de A325 tussen Arnhem en Nijmegen, naast me staan paaltjes die het pad naar het sanitairgebouw verlichten. Een gebouw met vliegen, dit is een geitenboerderij. Het is niet stikdonker, de lucht valt hier en daar open, ik zie de contouren van de wolken. Nu ik m’n plek heb gemaakt is het avontuur terug. Op tochten is het nooit de tegenslag die het gevoel bepaalt, maar hoe ik ermee omga. Deze eerste etappe heeft het fietskaarsje niet uitgeblazen, het brandt nog. Maar flakkeren deed het. Ik neem me voor om de lol te vinden in deze tocht. Een van de dingen die daarvoor nodig zijn is uitgerust raken, als ik sterk ben komen tegenslagen minder hard aan. Daar ga ik vannacht meteen aan werken, met minstens acht uur slaap. Het is tien voor elf, ik zet de wekker om zeven uur en rits de tent dicht. Het begint te spetteren, maar dat deert me niet. Ik slaap al.
Dag 2: Elst – Langst-Kierst (D)





