Laat voor het eten

Niet alle dolers zijn de weg kwijt

Naar de Zuidpunt | Dag 5

Fietsen Weert

Weert en Wieërt.

Foto hierboven: fietspad langs de Belgisch-Nederlandse grens bij het Leenderbos.

Om vier uur moet ik eruit. Het zal een graad of vijf zijn, ik kom niet in de verleiding het toiletbezoek een seconde langer te laten duren dan nodig is. Ik slaap direct weer in, er is rust in m’n hoofd. Om zes uur gaat de wekker, ik zet ‘m uit en sta mezelf toe om nog twintig minuten weg te drijven. Ik slaap acht en een half uur, zo moe was ik.

M’n tent is droog, het gras is droog. In de bewolkte nacht is het na de koude dag van gisteren weinig afgekoeld, er is geen condens of dauw. De natuur is al wakker, net als een paar kampeerders. Op natuurkampeerterreinen is het ’s avonds eerder stil en is er ’s morgens eerder leven. Aan de overkant van het veld gaat een rits open. Een man loopt naar het sanitairgebouw, met een pan voor het ochtendkoffiewater. Ik doe hetzelfde. De dag is nog schuchter, ik drink m’n koffie en haal de tassen onder de luifel vandaan. Ik heb m’n routine hervonden, de vaste volgorde van de dingen van de ochtend. Het thuis van fietstochten, het is er weer. Deze tocht begon werktuiglijk, het geluk van het onderweg zijn was een abstractie waarmee ik het contact verloren was. Nu voel ik het, in m’n lijf en in m’n hoofd. Thuis.

Weerter- en Budelerbergen

Opgang naar het oefenterrein.

Alert

Om vijf over acht fiets ik weg, langs de rand van de IJzeren Man en over een bedrijventerrein. Op het fietspad langs de Geuzendijk doorsnijd ik de Weerter- en Budelerbergen, waarvan een groot deel in gebruik is als militair oefenterrein. Ergens in het stuifzand heb ik daar in december 1982 een schuttersput gegraven, tijdens de eindoefening van de basisopleiding in het eerste jaar van de KMA. We stonden het grootste deel van de nacht in onze putten, hallucinerend van de slaap, onszelf af en toe dwingend een rondje te lopen. Ook de instructeurs zagen daarop toe, om te voorkomen dat we in een staat van apathie zouden vervallen die voorafgaat aan onderkoeling.

Betekenis

De heides en bossen waar ik in m’n tijd bij de krijgsmacht heb geoefend, als leerling en later als instructeur, kregen voor mij een andere betekenis. Geen natuur meer, maar plekken met herinneringen, niet allemaal goed. Niet door de fysieke ontberingen – die werden een goed verhaal – maar doordat ik me niet op m’n plaats voelde. Bij sommige oefenterreinen heeft het lang geduurd voordat ik ze weer als de natuur kon zien waar ik graag ben. Destijds waren het plekken waar ik nooit meer wilde zijn. In de eerste drie jaar van de KMA speelde dat niet. Aan die tijd heb ik goede herinneringen, door de vriendschappen, de bijzondere dingen die we deden en omdat ik slaagde wanneer ik op de proef gesteld werd. Het was iets dat ik kon, het was iets dat ik wilde.

Ons Moen Budel

Covid-humor. ‘Ons Moen’ (onze moeder), Budel.

Slim

Op de kaart zie ik dat er voorbij Budel alleen kleine dorpen op de route liggen, ik vermijd de valkuil van er komt hierna nog wel een bakker en doe boodschappen bij de Jumbo. Soms vind ik mezelf slim.

Na Budel rijd ik bij Berg het bos in. Daar heb ik me op verheugd, op de kilometers door het groen, aan de zuidkant van het Leenderbos. Ik heb m’n route daar over een fietspad strak langs de Belgische grens laten lopen, als om ook letterlijk de grens op te zoeken van waar ik in deze covid-tijd mag fietsen.

Meteen bij de eerste meters van het fietspad kom ik een grensovergang tegen, met borden en een afscheiding met palen en draden. Een informatiebord maakt duidelijk dat het een reconstructie is van een deel van de Doodendraad (of eenvoudigweg ‘de Draad’) die tussen 1915 en 1918 langs de volledige Belgisch-Nederlandse grens liep. De draadversperring, aangelegd door de Duitse bezetter in België, moest voorkomen dat oorlogsvrijwilligers (die via Nederland en de Noordzee naar het front in Noord-Frankrijk gingen), vluchtelingen en Duitse deserteurs de grens met het neutrale Nederland overstaken. Op de draden stond 2000 volt, er vielen naar schatting 500 doden door elektrocutie. Ik kwam de Draad eerder tegen, onder andere in juni 2019 op m’n tocht door Vlaanderen, maar niet zo tastbaar als hier.

Grens

Het wrede verhaal van de Doodendraad kende ik al, het is de grensovergang die indruk maakt. Er is niet alleen een zichtbare, maar ook een onzichtbare draad. Ik mag de grens niet over als ik daar geen goede reden voor heb. Als Nederlander (of Belg) is dat moeilijk te vatten. Een verboden grens associeer ik met Noord- en Zuid-Korea, of met het IJzeren Gordijn waar ik als 5-vwo scholier ooit achter mocht kijken, niet met een kleine bosweg naar de buren. Aan de andere kant van het hek zie ik het rode bord, ‘Welkom in fietsparadijs Limburg’, zo bereikbaar en toch buiten bereik. Er is geen fysiek obstakel, ik zou het kunnen doen, het hek passeren en België in fietsen. En toch, nu ik hier sta lijkt dat niet langer ondenkbaar. Het geeft me hoop dat het moment waarop het weer mag niet ver weg meer is, en ik door België naar Rome kan fietsen.

Grensovergang Doodendraad

Grensovergang ten noorden van Hamont-Achel, met een reconstructie van de Doodendraad.

fietspad grens Hamont-Achel

Fietspad langs de grens.

Het is goed

De grijze lucht wordt lichter, maar als 30 april voelt het nog steeds niet, 30 januari had ook gekund. Het geeft allemaal niets, het is goed, ik heb het naar m’n zin. Vanmorgen was elke kilometer nieuw, na de Doodendraad kom ik op bekend terrein. Daar is m’n route dezelfde als die van december 2020, toen ik drie dagen met de ligfiets onderweg was. Dat was leuk genoeg om nog een keer te fietsen.

Tussen ons

Ik fiets langs de Achelse Kluis, kom door Schaft en ga in Borkel op een bank zitten. Aan de overkant van het Monseigneur Kuypersplein herken ik de plek waar ik op de tocht naar Parijs ’s morgens heel vroeg stopte om m’n handschoenen aan te doen. Om daarna, een eindje verderop, rechtsaf te slaan richting België. Vandaag doe ik hier iets anders. Iets waarvan ik nooit zal toegeven dat het gebeurd is. Bij de koelvitrine van de Jumbo in Budel bezweek ik voor een wit rond bakje met zalmsalade. Met een doorzichtig deksel en zo’n plastic roeispaantje dat erin geduwd is. Ik móest het meenemen, ik heb de hele morgen toegeleefd naar dit moment. Met salade heeft de inhoud niets te maken, net zo min als met zalm. Maar alles met veel mayo en met waar je zin in hebt na vier en een halve dag fietsen. Ik wel. Het is elk van de 69 betaalde centen waard, de enige teleurstelling is dat het veel te snel leeg is. Er bestaan ook zalmschotels, misschien iets voor een volgende keer. Hoewel u, beste lezer, nooit zult weten of het zover is gekomen.

Fietsen bos Vessem

Bospad bij Vessem.

Geweldig

De route gaat ten westen van Valkenswaard en Eindhoven naar het noorden. Vooral dit stuk maakt dat ik de route nog een keer wil fietsen, een keer in het voorjaar. Landwegen met bomen aan weerszijden, kleine bossen, klinkerdorpen waarvan ik niet eerder gehoord had. Westerhoven, Riethoven, Steensel, Knegsel. Over stille wegen en een enkel bospad. Geweldig leuk, het gaat als vanzelf. Er vallen een paar spetters, er is nauwelijks wind, de temperatuur heeft zowaar twaalf graden bereikt. De muts mag af, de handschoenen uit.

Ik fiets zoals ik altijd fiets, met veel korte stops om foto’s te maken, bordjes te lezen en de afwatering te verzorgen. Opschieten doe ik op dagen als deze niet, ik heb me erbij neergelegd, dit is hoe ik fiets. Ik heb bakken met energie na vier nachten goed slapen. De zorgen en zware gedachten waarmee ik de tocht begon zijn verdwenen, het voelt als een reset van lijf en motivatie. Wat verdwenen was is terug, wat zorgen baarde bleek niet zorgelijk. Ik kan niet zingen, maar doe het stiekem toch.

Iets daartussen

Rome ligt weer op de fietshorizon, het gaat gebeuren, vroeg of laat komt het moment dat ik de grens over mag. Niet volgende week, ook niet volgende maand, maar het duurt ook geen half jaar meer. Waarschijnlijk iets daartussen. Hoop ik. M’n fantasie durft weer, als een muisje dat voorzichtig z’n hol in de grond verlaat, om zich heen kijkend of die buizerd er nog is, beducht op wat er was, met kleine stappen richting het eten dat hij ruikt en dat lang buiten bereik was.

kerk Knegsel

Sint-Monulphus en Gondulphuskerk in Knegsel.

Eigen klimaat

Ik ga na wat deze dagen me geleerd hebben over de spullen die ik straks bij me moet hebben op de grote tocht naar het zuiden. Dunne wollen shirts, allicht, maar lange mouw hoeft niet. De enige kou die ik verwacht is tijdens de dagen op hoogte, tijdens de oversteek van de Alpen. Geen idee hoe koud het dan wordt. Tien-twaalf graden, zoals nu? Bergen maken hun eigen klimaat, als het beneden T-shirtweer is, kun je boven een muts nodig hebben. Die muts gaat mee, handschoenen en ook een dikke trui. Liever dat die drie weken ongebruikt in een tas zit dan ‘m niet bij me hebben op die ene dag dat ik hem nodig heb. Een kledinglijst voor kou moet je bij kou samenstellen, niet op een zwetende zomerdag.

Status

In Knegsel, een dorp met nog geen 1500 inwoners, word ik omzwermd door grote zwarte fourwheeldrives die de klinkerstraten domineren en me op kruisingen van de weg drukken. Ik moet me inhouden er in het voorbijgaan geen deuk in te schoppen. Wat bezielt mensen om in dergelijke kolossen rond te rijden, met alleen een Albert-Heijntas op de voorstoel? Wat de auto betreft lijkt Brabant een andere planeet, waar de status van de auto onaantastbaar is gebleven.

Ik ga op de kerktrap zitten en houd een eetpauze. Prompt komt er een vrouw van de overkant vragen of ze een kopje koffie voor me zal maken. Ook dat is Brabant. M’n oordeel was te gemakkelijk, ik roep mezelf tot de orde. Maar m’n observatie blijft, als fietser heb ik in deze provincie meer te duchten van autoverkeer dan ik thuis gewend ben. Ik bedank de vrouw, me verontschuldigend, ik wil niet te lang pauzeren en fiets weer verder.

kerktoren Oostelbeers

Doorkijkplafond in de kerktoren in Oostelbeers.

Thuis

De kerktoren in Oostelbeers heeft geen schip meer. Dat raakte in de Tweede Wereldoorlog dusdanig beschadigd dat het na de oorlog niet meer is herbouwd. In de toren zit een Mariakapel met een halfglazen dak, waardoor je naar boven kunt kijken, de toren in. Tegen de muur hangen drie beelden, onbereikbaar, als in een surrealistische film.

Achter de toren ligt een begraafplaats met een grote witte engel op een pilaar. Filmscène. Op de gevel hangt een bordje, ‘Maria is thuis’, als ik bid blijkt dat te kloppen. Aan de overkant van de straat staat nog een kerk, zonder toren, als om de eenzame kapel aan te vullen. In de kerk is een café gevestigd, of Maria daar ook thuis is weet ik niet.

Vlakbij

Bomen, bosranden, het Wilhelminakanaal, een gelukkige Zuidpuntfietser. E-bikers die bij het naderen van een kruising in verwarring zijn, hun sturen gaan heen en weer, ze roepen het nummer van een fietsknooppunt naar de navigator. Ouderen die misschien lang niet meer gefietst hebben en – nu ze een e-bike hebben – weer de weg opgaan en zich niet altijd even zeker voelen. Boven me klimt een toestel door de wolken, Eindhoven Airport is vlakbij.

Onverwacht

De afwisseling in het landschap blijft, dit nog een keer fietsen is een goede beslissing. Op de kleine wegen en paden ben ik bijna alleen, ik denk dat veel fietsers het nog te koud vinden. Ten zuiden van Oisterwijk fiets ik door natuurgebied de Kampina, met bossen en heides. De vorige keer sliep ik hier in de buurt, op natuurkampeerterrein Morgenrood, nu fiets ik verder. De Kampina is onverwacht mooi.

Kampina

Kampina.

koeien in het water

Helpt niet.

Hardnekkig

Het blijft tussenin-weer. De handschoenen hoeven niet aan, maar de rits van m’n jas blijft dicht. De zon staat voorjaarshoog, maar mist kracht, de bewolking is hardnekkig. Het is te koud om het lekker weer te noemen, maar te warm om… Wat kan het eigenijk schelen, het regent niet, ik fiets met hervonden spirit en door een mooi stuk Nederland.

Aan de rand van een weiland staat een snel koeien tot aan hun knieën in de sloot. Waarschijnlijk iets kwijt, voor pootjebaden is het te koud. Koeien hebben niet de reputatie de slimste wezens in het dierenrijk te zijn, als ze van dat stigma af willen, helpen acties als deze natuurlijk niet. Ik twijfel of ik er iets van zal zeggen, maar doe het toch maar niet. Waar bemoei ik me eigenlijk mee.

Loonse en Drunense duinen

Loonse en Drunense duinen.

Hart

Ik fiets door Haaren en Udenhout en kom door een ander natuurgebied, de Loonse en Drunense duinen. De fietspaden die er zijn lopen om het centrale stuifzandgebied heen. Logisch, maar zo krijg je letterlijk en figuurlijk het hart van het gebied niet mee. Wie de Duinen wil zien moet wandelen. Het fietspad-asfalt bobbelt en ribbelt, ik ben alleen, boven me betrekt het alsof het toch nog gaat regenen.

Nazca ligfiets

M’n Nazca Gaucho in december 2020.

Eigenlijk wel

Aan de rand van Waalwijk fiets ik over een mooi fietspad door het groen. Ik herken de plaats waar ik vier maanden geleden in het donker op m’n plaat ging met de ligfiets, toen ik het betonrandje van het fietspad gemist had. Ik weet nog steeds niet goed wat ik van het ligfietsen moet denken. Of eigenlijk weet ik het wel. Op de driedaagse van afgelopen december liep ik meer dan eens tegen grenzen aan bij de onverharde wegen waarover de route ging. Op bospaden met kuilen moest ik eraf, in het zand moest ik eraf, op een landweg met plassen moest ik lopen. Ik merk dat ik sneller wegglijd (en val) op slechte wegen, waardoor ik ze dreig te vermijden. Terwijl dat de kilometers zijn met de meeste natuur en zonder auto’s. De wegen die ik graag fiets.

Wat Rome betreft heb ik de knoop doorgehakt, dat wilde ik eerst op de Nazca doen, maar ik kies voor de Vittorio, net als nu. Een echte overstap naar de ligfiets komt er niet. Voor heen-en-weerritten in Nederland, over goed asfalt en met weinig hoogtemeters, is de ligfiets fijn. Wanneer ik met spullen onderweg ben wil ik probleemloos op gravel, zand en boswegen kunnen fietsen, een fiets die me daarin beperkt is niet mijn fiets. Het heeft me moeite gekost dat aan mezelf toe te geven, maar me vrij voelen op de fiets, ook bij de keuze van wegen, is te belangrijk voor me.

fietspad Zeedijk naar Oudheusden

Het fietspad over de Zeedijk naar Oudheusden.

Wondermooi

Het is vijf uur en mooi geweest, ik kijk uit naar de plek waar m’n tent vannacht staat. Voorbij Drunen fiets ik de laatste kilometers van vandaag, over de Zeedijk naar Oudheusden. Het wolkendek breekt, de bomen hebben weer schaduwen, een klein kado uit de hemel. Een wondermooie afsluiting van de dag, over het gravelpad met bomenrijen, langs weilanden waarin bloemen schuchter bloeien en een enkele koe komt kijken. Ik fiets nog twee kilometer over de Kooilaan door het bos, steek een grote doorgaande weg over en sta tien minuten later op minicamping De Reekens. Het is twintig over zes.

Minicamping De Reekens

Plek, stoel, wijn. Goed.

Een minicamping betekent kamperen bij de boer. Samen met natuurkampeerterreinen vind ik dat de leukste plekken. Dat geldt ook voor deze, een grote rechthoek van gras, omgeven door struiken en bomen, met in het midden een zandbak en speeltuin. Goed sanitair, mensen die het naar hun zin hebben, alles dik in orde. De € 16,30 die ik betaal vind ik fors voor een enkele fietser die geen stroom verbruikt, dat wel.

Ik zet m’n tent op, sleep ergens een stoel vandaan en kook tortellini met pesto rosso en een emmertje kleine tomaatjes. Van die rode kogels die ‘snoeptomaatjes’ heten, maar zo goed als smaakloos zijn. You can’t have it all. Een wit-met-zwart poezenbeest komt zich nog even uitsloven en over de grond rollen, hetgeen de avond voor een eenzame Zuidpuntfietser nog beter maakt. Die fietser drinkt een mini-flesje wijn, kijkt terug op vandaag en doet om tien voor tien de ritsen dicht, met het geluk in z’n lijf.

Dag 6 | Oudheusden – Amersfoort

Overzicht