Foto hierboven: Suldalsvei (riksvei 13) langs het Øvra Lonavatn.
Om twee uur ’s nachts moet ik eruit en loop door de donkere natheid van een regennacht naar het sanitairgebouw. In het dorp brandt een enkel licht, de bergen zijn zwarte vlekken in de verte, het is stiller dan stil. Terug in de tent hervind ik de slaap niet, ik lig wakker van vervelende herinneringen aan vervelende gebeurtenissen. Dingen die ik deed of juist niet deed. Menselijke onvolmaaktheid die ik mezelf thuis zou vergeven, maar die hier, waar dat thuis er alleen is als het me lukt dat ervan te maken, als een demoon uit een donkere hoek tevoorschijn komt.
Thema
Om half zes sta ik op, in regen die de hele nacht is doorgegaan. De binnen- en buitentent zijn met elkaar verkleefd, het doek van de binnentent is nat. In de achterrand van de tent ligt een beetje water, de grond is zo verzadigd van smelt- en regenwater dat het blijft staan. ‘Droog’ is vanmorgen niet het centrale thema.
Ik ontbijt met het laatste Adventure Food ontbijt, dat zo lekker is dat ik het voor deze morgen heb bewaard. Røldal en de bergen eromheen zijn gehuld in een wolk van regenmist, waarin het landschap met zachte houtskool is getekend. De wolk wordt dunner en drijft tegen de bergwand omhoog, een bergwand met sneeuw in plooien en op velden.
Goed
De laatste dag. Het is goed, het is goed zo. Ik ben toe aan de volgende fase: alles drogen, ’s ochtends niet hoeven in te pakken, ’s ochtends niet m’n zitvlak met chamois crême in te hoeven smeren. Gewoon Stavanger inlopen met alleen een jas en handschoenen, naar de Joker, naar de outdoorwinkels, naar de haven. Een plek bouwen, mensen zien. Het tunnelsymposium, bekenden, gesprekken, ik kijk ernaar uit. Vandaag moet ik er een bescheiden 73, naar Sand aan het Sandsfjord, waar ik de ferry naar Stavanger van kwart voor drie wil halen. Met m’n verwachte vertrektijd betekent dat, dat ik per uur tien kilometer moet fietsen. Of dat lukt hangt af van of de weg zich gedraagt, of het weer mee- of tegenwerkt en hoe het met de tunnels gaat. Met de negentien tunnels.
Weinig
Om kwart over zeven fiets ik weg, in de wolk die het dorp nog steeds omhult. De regen is afgezwakt tot spetters, ik heb alleen een regenjas aan, broek en overschoenen blijven net als gisteren in de tas. Er zijn maar twee dagen geweest waarop ik die nodig had, de dag dat ik door Kopenhagen naar Helsingør fietste en bij het vertrek in Simlångsdalen. Er zijn, realiseer ik me, ook maar weinig ochtenden geweest waarop ik in de regen moest inpakken.
De houten huizen glijden voorbij, de ochtendlucht strijkt langs m’n wangen. Ik ben weer op weg. Als ik inspreek op de videocamera is m’n stem onvast, de eerste kilometers van de dag doen me wat, zoals altijd. Onderweg zijn, vrij zijn, met alle spullen bij me en een doel voor ogen. Dit is mijn wereld. Van deze laatste dag ga ik iets moois maken.
Scenic route
Na drie kilometer verlaat ik de E134 en sla ik linksaf, riksvei 13 in, op Noorse websites gepromoot als scenic route Ryfylke, genoemd naar het district waar hij doorheen gaat. Kijkend naar de weg die in de verte in de mist verdwijnt moet ik erkennen dat het inderdaad behoorlijk scenic is – al zie ik er geen moer van. Maar man, wat is het gaaf om hier te fietsen.
Abstractie
De weg daalt naar het niveau van het Røldalsvatn, naast me valt smeltwater van de rotsen naar beneden. Dit stuk Noorwegen is een nieuw avontuur, in een nieuw landschap, met een nieuwe sfeer. Sand en het Sandsfjord zijn hier een abstractie, ik fiets naar de Misty Mountains. Al ben ik niet op weg naar Mordor.
Waar het Røldalsvatn versmalt tot rivierbreedte herken ik twee bruggen van mijn verkenning op Google Street View, thuis. Wonderlijk om ze in het echt te zien, ik neem de autobrug, de toerit naar de fietsbrug ligt vol sneeuw. Niet dat er veel auto’s zijn. Er zijn helemaal geen auto’s.
Wonderschoon
Røldalsvatn wordt Lonavatn. De weg daalt langzaam, van 465 meter op de afslag van de E134 tot inmiddels 235 meter. Die 230 meter doet iets met de bermen en de hellingen om me heen. De sneeuw heeft zich teruggetrokken tot hopen en kleine veldjes, de mistwolken hangen nog net zo hoog, maar nu is dat tweehonderd meter boven me, tegen de flanken van de bergen. De bomen staan in de knop, groen wint het van wit, als bij de komst van het voorjaar. Hoewel ‘voorjaar’ met een paar graden boven nul, met muts, col en handschoenen misschien een wat enthousiaste kwalificatie is. Ik kijk het Brattlandsdal in, het dal van de Brattlandsdalåa. Wonderschoon, werkelijk wonderschoon. Ik stel me voor hoe dit er ’s zomers uitziet. Nog groener, maar ook veel drukker. Nu ben ik alleen.
Geblinddoekt
De eerste tunnels zijn kort, 300-400 meter. Een blauw fietsbordje geeft aan dat je via een paadje de tunnel kunt omzeilen, maar er is nauwelijks verkeer en hier en daar ligt nog sneeuw. Bij tunnel nr. 3 rijd ik een zwart gat in, de tunnelverlichting heeft het laten afweten. Ik zie niets meer en moet lachen om de abrupte overgang, ik lijk geblinddoekt. Tegelijk ben ik alert, bij kou willen schapen – die in sommige delen van Noorwegen vrij rondlopen, zoals de rendieren in het midden en noorden – nog wel eens in tunnels schuilen. Zonder licht is een aanrijding met meneer of mevrouw Woldrager niet iets waar je als fietser op uit bent. Hier zijn geen schapen.

Berken in het blad aan het Suldalsvatn, in de verte de tunnelmond van de Gjuvsåna tunnel (477 meter).
In Nesflaten zit ik op 90 meter, fietsend langs – opnieuw – het Suldalsvatn weet ik niet wat me overkomt. Naast de weg staan berken in het blad. In het blad. Dat is voor het eerst in weken, waarschijnlijk voor het eerst sinds november, toen ik in Nederland de laatste ervan zag vallen. Hier is het werkelijk voorjaar, al stroomt en valt overal ijskoud water langs en van de rotsen. Vrouwe Hovden zei dat als het daar nog volop winter leek, in Suldal (de grote gemeente waar ik sinds het Brattlandsdal doorheen fiets) de lente al begonnen was. Dat is echt zo. Het hoogteverschil van 900 meter betekent in deze overgangsmaand ook een seizoensverschil.
Te steil
De weg stijgt licht als ik het langgerekte meer verlaat, maar de acute klim van 300 meter die Garmin aankondigt is er niet. Ik vond het al vreemd, de Suldalsvei volgt grotendeels de oevers van het meer, de klim zie ik niet terug in het landschap en is bovendien veel te steil. Ik rijd de Falkalitunnel in en begrijp wat er gebeurt. Een gps-track ‘meet’ de weghoogtes (en berekent klimmen en het aantal hoogtemeters) aan de hand van punten op of naast de weg waarvan de hoogte bekend is. Wanneer een weg een tunnel in gaat, geeft de track soms de hoogte weer van het terrein boven de tunnel (en niet van de weg in de tunnel), waardoor het lijkt alsof je een loeisteile klim te wachten staat. Zie hier meer uitleg over tracks en hoogtemeters.
Uitgelaten
De optelsom van weinig verkeer, de meren en de rivieren, de dalen en de bergen en een wereld die groener wordt maakt een fietsdag die niet beter kan. In de Hylstunnel (tunnel nr. 16 van vandaag, met 2320 meter de langste) durf ik zelfs af te stappen om uitgebreid foto’s te maken. Je bent tunnelaar of je bent het niet. Waar hij het water verlaat stijgt de weg af en toe licht, meer klimmen zijn er niet.
Na verloop van tijd verdwijnt ook op de hellingen de sneeuw en hebben alleen de hoogste toppen in de verte witte randen. De muts kan onder m’n helm vandaan, de handschoenen onder de Voile-straps op de achterdrager. In tunnel nr. 17 ping ik met m’n fietsbel “laatste etappe, dames en heren, laatste etappe!” Ik ben uitgelaten als een kind. Het vele klimmen van de afgelopen week, de sneeuw en de kou, het is allemaal klaar. Dit is uitrijden, onbezorgd, om me heen is het groen en licht. Ik zit zingend op m’n fiets. Nog 30 tot Sand.
Joker
In Suldalsosen is, net als in Porsgrunn, een veegmachine het gravel aan het opvegen dat niet meer nodig is nu de laatste sneeuw is weggesmolten. Voor een eetpauze heb ik de keuze tussen een Coop en een Joker. Het wordt de Joker, met die supermarkten zal ik me Noorwegen voortaan herinneren. Nog 19 tot Sand.
Intocht
Het dal wordt breder, de rivier naast me stroomt kalm langs groene weides en bomen. De kou is weg, de zon laat zich zien. Een compleet andere wereld dan die van vanmorgen.
Met nog tien kilometer te gaan zet ik de fiets in de berm en verruil ik de regenjas voor de Haglöfs softshell waarin ik de hele tocht heb gefietst. Het is alsof een intocht begint, een finale waarin ik wil aankomen zoals ik ben vertrokken. Ik zet Mozart op, zijn mis in C-mineur begeleidt me.
De kalme Suldalslågen wordt een woeste rivier met rotsblokken en stroomversnellingen. Ik houd een korte pauze bij een elektriciteitshuisje naast de weg en maak een foto van de knoppen in de bomen, zo bijzonder vind ik ze. In de berm staat een bord, ‘Velkommen til Sand’. Een korte klim en dan passeer ik de eerste huizen van Sand. Berken, struiken, wolken. Nog een paar kilometer tot de haven.
Gek
Ik ben straks meer dan op tijd voor de ferry, de druk is eraf, de rust kruipt in m’n hoofd en lijf. Gek dat het dadelijk voorbij is, na 23 dagen. Na alle landen, alle wegen en alle kampeerplekken. Na tegenwind, vriesnachten, regen, zon en sneeuw. Na momenten van verdriet en geluk, na 2085 kilometer.
Hoe stevig de tocht soms ook was, ik zal het jammer vinden om er straks weer afscheid van te moeten nemen. De vrijheid, het ontdekken, het onderweg zijn. Het mooiste dat er is. Al vind ik ook dat het voor nu mooi geweest is.
Volbracht
Om kwart voor twee sta ik aan het water van het Sandsfjord, een uur eerder dan waar ik op mikte. Ik vraag aan mensen waar de ferry aanmeert, in de buurt daarvan ga ik zitten op een bank met uitzicht op het fjord. Dat is vrijwel rimpelloos, in de verte laten de wolken ruimte voor stukken blauw. Ik ben er, ik ben er echt. Hoewel het me nooit om een prestatie is gegaan, voelt het alsof ik iets heb volbracht.
Met m’n telefoon koop ik op de website van Kolumbus een ticket, dat ik meteen in m’n mailbox krijg en als pdf kan downloaden. Bij online boeken krijg ik een korting van 25 procent, ik betaal NOK 230 (€ 19,80), fiets is gratis. De Noren begrijpen reizigers. Ik ben heel benieuwd hoe groot de ferry is en hoe gemakkelijk, of juist niet, ik m’n fiets erop rijd. Waar de boot straks aanlegt is niet meer dan een betonnen kade, zonder de stellages en beweegbare rijbanen die ik ken van de ferry’s tussen Duitsland, Denemarken en Zweden. Niets wijst erop dat hier iets aan kan leggen dat groter is dan een roeiboot.
Vloeiende beweging
Als uur ‘U’ nadert, zie ik iets wits door het fjord varen. Wit en snel. Het wordt groter en krijgt vorm. De ferry die Sand met Stavanger verbindt (een tocht van een uur en vijftig minuten) is een snelboot, zoiets als een watertaxi op de Nieuwe Maas. Geen auto’s, alleen voetgangers. En een enkele fiets. Terwijl de boot de kade nadert daalt de loopplank in het midden van de boeg, nét voor de kade geeft de schipper tegengas, de loopplank gaat neer en de wachtende mensen lopen de ferry op. Alles in één vloeiende beweging, zonder een seconde te verliezen. Ik loop er met m’n fiets achteraan, de loopplank op. Een vrouw in een donkerblauw uniform en een metalen teller in haar hand kijkt me aan. “Stavanger?” Ik knik, met een blik waarin zowel verwachting als afscheid ligt. “Stavanger”.
Met dank aan jullie, lezers, voor het geduld dat je hebt gehad in de bijna drie jaar waarin dit verhaal stukje bij beetje is verschenen. Met dank aan de aardige mensen onderweg die m’n verhaal wilden aanhoren als ik dat even nodig had, aan het restaurant in Sütel waar ik zo laat nog kon eten, aan de lieve vrouw in Svenljunga die mij me thuis deed voelen, aan Einar de eland voor z’n wijze woorden, aan de mannen op Hatseflatsfjellet die me water gaven, aan Vrouwe Hovden bij wie ik welkom was en die een mysterie bleef. Dank, opnieuw, aan Elsbeth en m’n beide mannen, die mij dit hebben gegund.
Epiloog
Ik nestel me op een van de stoelen met uitzicht op een groot raam. De tocht van fjord naar fjord naar fjord, met meerdere haltes, is als een rondvaart waarbij de beboste, het water in lopende hellingen als op een tv-scherm aan me voorbijtrekken. Met een behoorlijke snelheid, op de OsmAnd-app zie ik dat we zo’n 55 km/uur varen, dat is niet toevallig precies 30 knopen (1 knoop = een zeemijl per uur, een zeemijl is 1,85 kilometer).
Bij haltes ga ik naar buiten, hoor de meeuwen, voel de wind, zie rotsige inhammen verdwijnen en tevoorschijn komen. Het is werkelijk fantastisch, een zoet nagerecht na een maaltijd met ontelbare gangen.
Onwaarschijnlijk
Die gangen waren de dingen die ik heb meegemaakt. Zoals de onwaarschijnlijke overnachtingsplekken: de ‘bushalte’ op de Lüneburger Heide, het theehuis in een Zweeds bos, de open plek met Hindel en Mindel naast Sector Stiekem, Ålen shelter op Amager, de gravelparkeerplaats op Hatseflatsfjell. Negen campings, een jeugdherberg, een hotel en elf bosplekken.
Er was de man op de weg bij Teuge, de maan boven de Lüneburger Heide, de Duitse Waldwege en de late aankomst aan de Oostzee. De ferry naar Rødbyhavn, de moerasplek waar Nanna Birk Larsen aan haar einde kwam, het dieptepunt in Kopenhagen en de ontmoeting met den Lille Havfrue. De ICA’s en de stille wegen in Zweden, het weerzien met een oude liefde. De vrouw in Svenljunga die naar buiten kwam om afscheid te nemen, de Scherenkust en Strömstad. De grillige Noorse sykkelrute’s, de wonderschone Kanalruta, de voorjaarszon en de eerste sneeuw. Tot slot de dagen op hoogte, in het winterlandschap waarop ik thuis gehoopt had.
Het was een avontuur met een hoofdletter ‘A’. Ik heb gevonden wat ik zocht en heb meer beleefd dan ik verwacht had. Het was geen walk in the park, maar daar was ik niet op uit. Er waren moeilijke momenten, maar het geluk was er veel vaker, het geluk van de vrijheid op de fiets.
Fase
Om tien over half vijf legt de ferry aan bij de Fiskepirterminalen in Stavanger. Ik vind m’n appartement, dat boven verwachting is, en maak er m’n thuis van voor de komende nachten. Morgen begint een nieuwe fase. Vier dagen in Stavanger, met het symposium en met het gezelschap van vakgenoten en bekenden. En ook een beetje vakantie. Nieuwe mensen leren kennen, nieuwe dingen leren. Een nieuw avontuur.
Na het symposium reed een Noorse trein m’n fiets en mij probleemloos naar Kristiansand, waar ik de Holland Norway Lines ferry nam naar Cuxhaven. Na een nacht varen stapte ik de volgende morgen in een serie Duitse treinen die me uiteindelijk naar Amersfoort brachten. Eveneens probleemloos. En die jävla Fahrradkarte waarvoor ik onderweg zo vaak Deutsche Bahn moest bellen? Na een helder moment belde ik in Stavanger NS International met de vraag of ik dat fietsticket ook via hen kon boeken, ook al had ik bij NS geen treinreis geboekt. Dat kon. Vijf minuten en dertien euro later had ik het digitale fietsticket in m’n mailbox, voor het hele traject Cuxhaven – Amersfoort.














